Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
08-7356 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over 2 periodes. 1) Over eerst periode heeft het College terecht geoordeeld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, aangezien appellant een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, en hij verzuimd heeft hiervan mededeling te doen aan het College. 2) Het besluit met betrekking tot intrekking en terugvordering over de tweede periode berust niet op een deugdelijke motivering. De Raad draagt het College op om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7356 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 november 2008, 08/1330 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat te Tilburg, zich als gemachtigde gesteld en de gronden in hoger beroep aangevuld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 november 2010, waar partijen - na bericht daaromtrent vanwege het College en de gemachtigde - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf 7 april 2003 tot 1 november 2003 bijstand ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet.

1.2. Naar aanleiding van een fraudesignaal verkregen bij de zojuist genoemde beëindiging van de bijstand heeft het Bureau Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Bij dit onderzoek is gebleken dat twee agenten van de politie Midden en West Brabant appellant op maandag 26 mei 2003 omstreeks 19:32 uur hebben verhoord. Volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft appellant onder meer het volgende verklaard.

Ik weet ook dat ik verdacht wordt van het hebben van een hennepkwekerij. […] Ik ben sinds 17 januari 2003 woonachtig op het adres [adres 1]. Ik huur die woning van een Turkse man […] Die man wist niet dat ik een hennepkwekerij in die woning had. De hennepkwekerij heb ik ongeveer 2 maanden geleden opgezet. Ik zou bijna voor de eerste keer hebben kunnen oogsten. Ik heb dus niet eerder geoogst. De oogst zou mij ongeveer een drieduizend euro opleveren. Ik heb ook datzelfde bedrag, drieduizend euro, geïnvesteerd in de kwekerij. Ik wil niet zeggen waar ik de goederen heb gekocht. Ik heb de hennepkwekerij opgestart omdat ik geen geld had. Ik heb de goederen, bestemd voor de kwekerij, te leen gehad van mensen die ik ken. Ik wil de naam van die mensen niet noemen. De kwekerij heb ik zelf gebouwd. Technische tips daarvoor kreeg ik van die eerdergenoemde mensen van wie ik de naam niet geef. Het onderhoud aan de kwekerij deed ik zelf. De stroom, die nodig was voor de kwekerij, werd niet illegaal afgetapt. In totaal stonden er ongeveer 200 hennepplantjes in de kwekerij. Ik doe vrijwillig afstand van de goederen die in beslag genomen werden.

Verder is slechts onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van appellant. Daarbij is gebleken dat zijn verblijfplaats na 2 december 2003 onbekend was.

1.3. Op grond van de bevindingen van het onder 1.2 genoemde onderzoek heeft het College bij besluit van 28 februari 2005, aan appellant verzonden op 26 september 2007, de bijstand over de periode vanaf 7 april 2003 tot en met 31 mei 2003 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode teruggevorderd tot een bedrag van € 1.824,40. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant in deze periode een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, dat hij verzuimd heeft hiervan mededeling te doen aan het College en dat het College hierdoor het recht op bijstand niet kan vaststellen. Voorts heeft het College appellant bij dit besluit een boete opgelegd van € 187,--, zijnde 10 procent van het benadelingsbedrag afgerond op een veelvoud van elf euro.

1.4. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld omdat hij in het geheel geen inkomsten heeft gehad uit de hennepkwekerij. Verder heeft hij betoogd dat voor intrekking van bijstand vanaf 26 mei 2003 toereikende grondslag ontbreekt en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat het College de boete die het bij besluit van 28 februari 2005 had opgelegd, bij besluit van 7 februari 2008 niet heeft gehandhaafd. Dit oordeel is in hoger beroep niet bestreden. De omvang van het aan de Raad voorgelegde geding betreft dus de intrekking en terugvordering van aan appellant verleende bijstand over de periode vanaf 7 april 2003 tot en met 31 mei 2003.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.3. Tussen partijen is niet meer in geschil dat appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden heeft door geen mededeling te doen aan het College van zijn opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning. Uit de onder 1.2 geciteerde verklaring van appellant volgt dat hij aanzienlijke werkzaamheden heeft verricht die op geld waardeerbaar zijn en dat hij zeer aanzienlijke middelen heeft ingezet voor het opzetten en exploiteren van de hennepkwekerij. Voorts blijkt uit die verklaring dat de politie de hennepkwekerij ten laatste op 26 mei 1003 heeft ontmanteld en dat zij onder meer de aangetroffen hennepplanten in beslag heeft genomen. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat nu doordat appellant geen mededeling heeft gedaan van die werkzaamheden en die inzet van middelen, hij daaromtrent zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden vanaf 7 april 2003 tot aan de ontmanteling van de hennepkwekerij. Het College stelt zich naar het oordeel van de Raad ook terecht op het standpunt dat het door die schending het recht op bijstand van appellant over die periode niet kan vaststellen.

4.4. Appellant heeft evenwel terecht aangevoerd dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het oordeel dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode vanaf 26 mei 2003, de datum waarop volgens hem de hennepkwekerij is ontmanteld, tot en met 31 mei 2003 (hierna: de tweede periode in geding). Vaststaat immers dat die kwekerij in deze korte periode niet meer bestond. Dat appellant andere voor bijstandsverlening relevante feiten of omstandigheden in die tweede periode verzwegen zou hebben blijkt niet uit het dossier. Dat betekent dat het besluit van 7 februari 2008 zal moeten worden vernietigd, omdat het in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

4.5. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In het voorliggende geval beschikt de Raad over te weinig gegevens om de rechtsgevolgen van het besluit van 7 februari 2008 in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Niet duidelijk is of appellant in de tweede periode in geding recht op bijstand had, bijvoorbeeld in verband met de omstandigheid dat hem rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Voor dit laatste bestaan in het dossier immers enige aanknopingspunten. Daarom zal de Raad met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij het onder 4.4 vermelde gebrek wordt hersteld. Daartoe overweegt de Raad nog als volgt.

4.6. Appellant heeft gesteld dat hij geen inkomsten heeft verkregen uit de hennepkwekerij en slechts kosten heeft gemaakt. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat hij een recht heeft op (aanvullende) bijstand over de periode vanaf 7 april 2003 tot 26 mei 2003 (hierna: de eerste periode in geding). Appellant heeft geen boekhouding bijgehouden van uitgaven en inkomsten. Hij heeft ook niet op andere wijze zijn transacties en werkzaamheden aannemelijk gemaakt. De stelling dat de tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij aangetroffen planten de eerste oogst zouden worden, berust uitsluitend op zijn eigen verklaring. De omstandigheid dat appellant geen stroom buiten de meter om heeft gebruikt en dat het elektriciteitsverbruik bekend is, maakt dit niet anders. Uit de omvang van het elektriciteitsgebruik kan immers niet worden vastgesteld in welke mate stroom is gebruikt voor welke doeleinden. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de eerste periode in geding recht op bijstand heeft. Hieruit volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de aan appellant over de eerste periode in geding verleende bijstand in te trekken. Appellant heeft de uitoefening van deze bevoegdheid in hoger beroep niet meer bestreden.

4.7. Hieruit volgt dat het College bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de eerste periode in geding van appellant terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De rechtbank heeft over de uitoefening van deze bevoegdheid geoordeeld dat deze is geschied overeenkomstig het beleid van verweerder, omdat er geen dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering en dat er geen grond is voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. De Raad verenigt zich met dit oordeel voor zover het de eerste periode in geding betreft. De enkele stelling van appellant dat er wel dringende redenen zijn zonder deze te noemen of te onderbouwen, maakt dit niet anders.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit van 7 februari 2008 in hoger beroep standhoudt voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de eerste periode in geding. Het College zal bij het nieuw te nemen besluit eerst dienen te bepalen of het ten aanzien van de tweede periode in geding bevoegdheden heeft tot intrekking en terugvordering van aan appellant verleende bijstand en vervolgens of het College van deze bevoegdheden kan en wil gebruik maken. Verder dient het College, voor zover nodig, de periode waarover het de bijstand intrekt en terugvordert, als mede het bedrag van de terugvordering, opnieuw te bepalen. Ten slotte dient het College opnieuw te beslissen op het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 7 februari 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ