Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
09-4616 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Rechter in opleiding. Tussentijdse beëindiging opleiding. De beoordeling berust op voldoende gronden en de beslissing tot beëindiging van de opleiding kan in rechte standhouden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het adequaat kunnen optreden ter zitting een essentiële vaardigheid is van een rechter. In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat van verweerder verdergaande inspanningen konden worden gevergd om appellante elders een opleiding tot rechter te laten volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4616 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

en

het Bestuur van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 3 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het (op 9 juli 2009 verzonden) besluit van verweerder van 23 juni 2009 (hierna: bestreden besluit), waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 januari 2008 tot beëindiging van haar opleiding tot rechter ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W. Wetzels, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.C. Bakker, en

mr. D.J. de Jong, voorzitter, respectievelijk secretaris van het bestuur van de rechtbank ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is vanaf 1 september 2007 in het kader van haar opleiding tot rechter werkzaam geweest in de [sector] van de rechtbank ’s-Gravenhage. Op 22 november 2007 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden tussen appellante en de drie betrokken rechters/opleiders. In het hiervan gemaakte verslag zijn diverse aandachtspunten vermeld met betrekking tot de aspecten optreden ter zitting en betrokkenheid. Onder meer is aangegeven dat appellante ter zitting nog onvoldoende grip op de zaak heeft en te weinig richting geeft aan de behandeling ter zitting, hetgeen regelmatig resulteert in een aarzelende, afwachtende en wat rommelige behandeling. Verder is vermeld dat appellante zich meer als gerechtssecretaris dan als rechter opstelt en dat zij de vereiste zelfstandigheid en rechterlijke attitude ontbeert. Daarnaast is opgemerkt dat appellante het werk binnen de sector als zwaar ervaart en het tempo als hoog, dat met name het zittingswerk nog van onvoldoende niveau is naar de stand van de opleiding en dat als verbetering mocht uitblijven de opleiding eind februari 2008 zal worden beëindigd.

1.2. Na 22 november 2007 is appellante viermaal als rechter ter zitting opgetreden, laatstelijk op 6 december 2007. Op 19 december 2007 is door de drie betrokken opleiders een - vervroegd - eindverslag vastgesteld. Hierin is vermeld dat de zittingen, ook na het evaluatiegesprek, dermate slecht zijn verlopen dat voortzetting van de opleiding geen zin meer heeft. Daarnaast is opgemerkt dat appellante onvoldoende zelfstandigheid, rechterlijke attitude en omgevingssensitiviteit heeft laten zien. Volgens de opleiders moet het uitgesloten worden geacht dat appellante binnen de nog resterende termijn van twee maanden alsnog aan de gestelde kwaliteitseisen kan voldoen.

1.3. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft verweerder besloten om de opleiding van appellante tussentijds te beëindigen. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat haar onvoldoende kans is geboden om de aanbevelingen uit het gevoerde evaluatiegesprek in de praktijk toe te passen, zoals is voorgeschreven in het Opleidingsstatuut Rechters van de Rechtbank te ’s-Gravenhage. Daarbij heeft zij er onder meer op gewezen dat het evaluatiegesprek spanningen heeft veroorzaakt, hetgeen haar functioneren daarna negatief heeft beïnvloed. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat sprake was van incompatibilité des humeurs met opleider V en heeft zij kritiek geuit op de wijze waarop V haar tijdens de zitting van 29 november 2007 heeft begeleid. Volgens appellante kunnen, mede gelet op de wijze waarop het eindverslag tot stand is gekomen, vraagtekens worden geplaatst bij de objectiviteit van haar opleiders. Verder heeft appellante erop gewezen dat meerdere aspecten van haar functioneren wel positief zijn beoordeeld. Tot slot heeft appellante grieven geuit over de inhoud van haar opleidingsplan, de verslaglegging van het opleidingstraject en de door verweerder verrichte inspanningen om haar elders een opleiding tot rechter te laten volgen.

2.2. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Aan het beëindigen van de opleiding is ten grondslag gelegd de onder 1.2 vermelde conclusie van appellantes opleiders. De Raad moet daarom, behoudens de hier in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven of ongeschreven recht, toetsen of de door de opleiders gemaakte beoordeling van appellantes functioneren een deugdelijke grondslag biedt voor de beëindigingsbeslissing.

3.2. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 19 maart 2009, LJN BI4395) beperkt is tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de hierboven vermelde toetsing kunnen doorstaan.

Voor een beoordeling als onder 3.1 bedoeld, ligt dit niet anders.

3.3. Met name het zittingsoptreden van appellante is door haar opleiders als volstrekt onvoldoende aangemerkt. In het eindverslag is onder meer vermeld dat appellante het overzicht in de zittingszaal mist, van de hak op de tak springt en wel vragen stelt, maar regelmatig het antwoord niet afwacht. Verder heeft appellante volgens de opleiders onvoldoende gevoel voor wat zich in de zittingszaal tussen partijen afspeelt in emotioneel opzicht. Daarnaast is aangegeven dat appellante een gebrek aan regie heeft en dat zij partijen de ene keer te veel aan het woord laat over ondergeschikte zaken en de andere keer afbreekt, daar waar doorvragen juist geboden was. Volgens de opleiders beschikte appellante met betrekking tot zittingsvaardigheden over onvoldoende leervermogen en ontbrak een stijgende lijn. Voortzetting van het opleidingstraject had daarom volgens de opleiders geen zin. Verweerder heeft zich daarbij aangesloten en - ter motivering van de noodzaak om de opleiding onmiddellijk af te breken - aan het bestreden besluit mede ten grondslag gelegd dat het zittingswerk zodanig onder de maat was dat dit ook tegenover de betrokken procespartijen niet meer te verantwoorden was.

3.4. Naar aanleiding van hetgeen appellante hierover naar voren heeft bracht, overweegt de Raad het volgende. In de eerste plaats stelt de Raad vast dat appellante heeft erkend dat de op 30 november 2007 gehouden zitting niet goed is verlopen. Over het verloop van de zitting van 29 november 2007 heeft appellante uitgebreid haar zienswijze gegeven. Daarbij heeft zij evenwel met name de door haar gemaakte keuze wat betreft de ter zitting aan de orde gestelde onderwerpen verdedigd en is zij niet ingegaan op de diverse kritiekpunten die in het door V van deze zitting gemaakte verslag zijn vermeld. Dat het functioneren van appellante na het evaluatiegesprek op 22 november 2007 valt toe te schrijven aan spanningen die waren ontstaan na dit gesprek, acht de Raad onvoldoende aannemelijk. Daar komt bij dat van appellante als aankomend rechter mocht worden verwacht dat zij zich door de tijdens dit gesprek geuite kritiek niet gehinderd zou weten tijdens het optreden als rechter ter zitting. Voor de stelling van appellante dat de eindbeoordeling mede moet worden toegeschreven aan vooringenomenheid dan wel animositeit van V heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden. Daarbij wijst de Raad er nog op dat van de vier zittingen na 22 november 2007 waarbij appellante als rechter is opgetreden, driemaal H als opleider heeft gefungeerd en dat H over twee van deze zittingen een (zeer) negatief oordeel heeft geveld.

3.5. Gezien het voorgaande kan de Raad niet tot het oordeel komen dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust en dat de beslissing tot beëindiging van de opleiding in rechte geen stand kan houden. Hierbij merkt de Raad op dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat het adequaat kunnen optreden ter zitting een essentiële vaardigheid is van een rechter. In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat van verweerder verdergaande inspanningen konden worden gevergd om appellante elders een opleiding tot rechter te laten volgen. Ook hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot het oordeel dat het bestreden besluit voor onhoudbaar moet worden gehouden.

4. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD