Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4483

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
09-4477 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving. In de functiebeschrijving onder overige taken is opgenomen dat appellant participeert in Teams Grootschalig Optreden. Daarmee is de door appellant genoemde inzet adequaat weergegeven. De korpsbeheerder heeft nog opgemerkt dat alle rechercheurs, A en B, worden ingezet in die teams. Appellant kan aan zijn inzet dan ook niet het karakter van seniormedewerker ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4477 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 juni 2009, 08/1189 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Groningen (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 3 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Appellant is vertegenwoordigd door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.A. Hoekstra en B. Oldenhuis, beiden werkzaam bij de politieregio Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als rechercheur A bij de [naam Divisie]. Bij brief van 3 april 2006 heeft appellant de korpsbeheerder verzocht om functieonderhoud in verband met zijn werkzaamheden als tapcoördinator en op het gebied van telecom. Nadat appellant een zienswijze met betrekking tot de door hem in de periode van 2003 tot en met 2006 verrichte werkzaamheden had ingediend en een reactie is ingebracht door zijn toenmalig leidinggevenden, heeft de korpsbeheerder het verzoek van appellant ingewilligd bij besluit van 18 augustus 2008 in die zin, dat voor appellant per 1 januari 2005 gaat gelden de functiebeschrijving van medewerker telecom. De korpsbeheerder heeft daarbij tot uitdrukking gebracht dat appellant gedurende langere tijd, althans meer dan een jaar voorafgaand aan zijn verzoek, werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de functie van rechercheur A.

1.2. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 november 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. In artikel 6, zevende (thans achtste) lid, van het Besluit bezoldiging politie is bepaald dat de ambtenaar bij het bevoegde gezag een aanvraag kan indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. In de door de korpsbeheerder op grond van artikel 6 vastgestelde uitvoeringsregeling is bepaald dat onder gedurende langere tijd wordt verstaan een periode van minimaal een jaar.

3.2. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoever de feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afwijken van de tot dan toe geldende functiebeschrijving is, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, een slechts terughoudende toetsing niet op haar plaats (CRvB 25 februari 2010, LJN BL6876). Die beantwoording moet zich immers richten op de vaststelling van feiten. Tussen partijen is niet in geschil dat het daarbij gaat om de werkzaamheden die appellant heeft verricht in het jaar voorafgaand aan zijn verzoek.

3.3. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de feitelijke werkzaamheden onvoldoende zijn beschreven in de functiebeschrijving van medewerker telecom. Daarbij heeft appellant vooral gewezen op het feit dat hij vanuit zijn specialisme werkinstructies verstrekte aan collega’s en dat sprake was van functiesenioriteit.

3.3.1. De rechtbank was van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant is opgedragen werkinstructies aan medewerkers te geven. De Raad sluit zich hierbij aan. In de functiebeschrijving is opgenomen dat appellant een vraagbaak is voor collega’s wat betreft het rechercheren in telecommedia en dat hij collega’s ondersteunt bij het gebruiken van telecomapparatuur. In het gesprek van 16 mei 2008 ter voorbereiding van het te nemen primair besluit (waarbij behalve appellant ook zijn leidinggevenden aanwezig waren) is naar voren gekomen dat appellant vanuit zijn specialisme in staat is anderen van meer informatie te voorzien en meer ondersteuning te geven dan de gemiddelde collega. In dat gesprek is voorts vastgesteld dat appellant niet is belast met het coördineren van werkzaamheden van anderen. Mede gelet hierop valt niet in te zien op welke grond sprake zou zijn van functiesenioriteit, waaronder appellant verstaat het begeleiden van collega’s op een bepaald werkveld vanuit een mentorfunctie.

3.4. Appellant heeft voorts gesteld dat hij als tapcoördinator verantwoordelijk was voor de werkverdeling binnen de tapkamer en werkinstructies gaf aan de medewerkers van de tapkamer.

3.4.1. Uit de stukken blijkt dat appellant de werkzaamheden als tapcoördinator in 2004 heeft overgedragen aan collega A. In de functiebeschrijving van appellant is onder overige taken opgenomen: “kan worden ingezet als tapcoördinator. Beheert dan het taprooster, instrueert en begeleidt de betreffende medewerkers en ziet toe op een correcte invoer van gegevens, begeleidt tolken bij het uitvoeren van hun werkzaamheden en controleert administratief hun declaraties.” Die omschrijving is naar het oordeel van de Raad correct, omdat appellant in voorkomende gevallen zijn collega verving. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als tapcoördinator nog andere werkzaamheden heeft verricht, dan de genoemde.

3.5. Appellant heeft gesteld dat hij vanwege zijn kennis en ervaring bij uitstek werd ingezet in grote, complexe onderzoeken, hetgeen steun zou geven aan het karakter van de functie als “seniormedewerker”.

3.5.1. De Raad constateert dat in de functiebeschrijving onder overige taken is opgenomen dat appellant participeert in Teams Grootschalig Optreden. Daarmee is de door appellant genoemde inzet adequaat weergegeven. De korpsbeheerder heeft nog opgemerkt dat alle rechercheurs, A en B, worden ingezet in die teams. Appellant kan aan zijn inzet dan ook niet het karakter van seniormedewerker ontlenen.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

HD