Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
10-5271 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5271 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Italië) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2010, 09/6051 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Schmidt, advocaat te Schagen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 december 2010. Voor appellant zijn verschenen zijn gemachtigde en mevrouw [ E.G.] (de dochter van appellant). Voor het Uwv is verschenen mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 9 november 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant, gericht tegen het besluit van 25 juni 2009, gedeeltelijk gegrond verklaard.

1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 9 november 2009 bij schrijven van gedateerd 18 december 2009 en vanuit Italië aangetekend verzonden op 19 december 2009, beroep ingesteld.

1.3. Het beroepschrift is op 29 december 2009 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank heeft vervolgens gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep niet tijdig is ingediend, terwijl niet is gebleken van enige omstandigheid waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

2. Appellant heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat niet vaststaat of het besluit waartegen beroep is ingesteld daadwerkelijk op 9 november 2009 is verzonden. Appellant verwijst naar jurisprudentie van de Raad geregistreerd onder LJN ZF1888. Daarnaast gelden zijn matige mentale en lichamelijke conditie en met name geheugenverlies en een sterk verminderd vermogen om zijn leven enigermate te organiseren als verschonende omstandigheden. Voorts heeft appellant gronden ingediend die zich inhoudelijk richten tegen het besluit van

9 november 2009.

3.1. De in hoger beroep aan de orde zijnde vraag of appellant in zijn beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad volstaat met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft hierin met juistheid overwogen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten. De Raad onderschrijft deze overwegingen geheel.

3.2. Het beroep op de uitspraak van de Raad, geregistreerd onder LJN ZF1888 slaagt niet. Anders dan in dat geschil staat in dit geschil, blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, vast dat appellant het besluit van 9 november 2009 heeft ontvangen en wel omstreeks 16 november 2009. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant nog ruim voldoende tijd gehad om binnen de termijn een (inleidend) beroepschrift op te (laten) stellen en tijdig in te zenden. De Raad wijst er op dat de beroepstermijn aanvangt de dag na de verzending van het besluit en niet een dag na het ontvangst van het besluit.

3.3. Gelet op hetgeen overwogen in 3.1 en 3.2 komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) R.L. Venneman.

JL