Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP4319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
09-1713 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante en [naam C.] hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1713 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 februari 2009, 08/216 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Straten, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Straten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 januari 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 18 juni 2007 heeft het College, naar aanleiding van onderzoeken van de afdeling Intake en Handhaving van de Sector Sociale Zaken en Werk van de gemeente Hengelo en de Sociale Recherche Twente (hierna: SRT), de bijstand van appellante over de periode van 3 februari 2006 tot en met 12 april 2007 ingetrokken op de grond dat appellante over deze periode niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam C.] (hierna: [naam C.]). Voorts zijn van appellante de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.939,53 (bruto) teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 8 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Nu niet in geschil is dat uit de relatie van appellante en [naam C.] op 3 februari 2006 een zoon is geboren, is voor de vraag of appellante en [naam C.] in de periode van 3 februari 2006 tot en met 12 april 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd slechts van belang of zij gedurende deze periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

4.2. Appellante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij en [naam C.] in de periode van 3 februari 2006 tot en met 12 april 2007 hun hoofdverblijf in haar woning hebben gehad. Zij heeft hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring die appellante op 12 april 2007 ten overstaan van de SRT heeft afgelegd. Deze verklaring is onder ontoelaatbare druk afgelegd. Zij moest destijds haar dochter van school halen en mocht alleen weg als zij de verklaring ondertekende. Hierdoor heeft zij pas later een storende fout in het proces-verbaal ontdekt. Anders dan in het proces-verbaal is vermeld, heeft zij immers niet verklaard dat [naam C.] voor en na de geboorte van hun zoon drie tot vier nachten per week bij haar verbleef, maar twee tot drie nachten per week. De rechtbank heeft voorts ten onrechte de observaties van de SRT en de verklaringen van [naam C.] en [naam K.] als aanvullend bewijs voor het gezamenlijk hoofdverblijf gebruikt. Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte de ontlastende verklaring van [naam L.] alsmede het relatief hoge water- en elektriciteitsverbruik in de woning van [naam C.] buiten beschouwing gelaten. Het voorgaande brengt tevens mee dat de uitspraak van de rechtbank onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat niet op alle opgevoerde gronden in beroep is gereageerd.

4.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Van zodanige bijzondere omstandigheden is hier niet gebleken. In het door appellante ondertekende proces-verbaal van het verhoor is vermeld dat het verhoor correct is verlopen, dat appellante zich niet onder druk gezet heeft gevoeld, dat zij haar verklaring in vrijheid heeft kunnen afleggen en dat zij, nadat de verklaring was voorgelezen, heeft verklaard te volharden. De enkele stelling van appellante dat niettemin ontoelaatbare druk op haar is uitgeoefend, kan er niet toe leiden dat appellante, zoals zij wenst, niet kan worden gehouden aan haar verklaring dat [naam C.] destijds drie of vier nachten bij haar verbleef.

4.2.2. Anders dan appellante is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat voor de vaststelling van het gezamenlijk hoofdverblijf van appellante en [naam C.] in de periode van 3 februari 2006 tot en met 12 april 2007 doorslaggevende betekenis toekomt aan de verklaring van appellante van 12 april 2007. De Raad wijst hierbij in het bijzonder op de volgende verklaringen van appellante zoals opgenomen in het proces-verbaal van verhoor: “(…) het is zo dat hij het merendeel van de tijd in mijn woning is. (…) [naam C.] en ik hebben sinds 3 jaar een relatie, een soort lat-relatie. Ik denk dat [naam C.] meestal

bij mij kwam sinds november/december 2005, voor dat mijn zoon geboren is. Hij was er toen in elk geval 3 tot 4 nachten. Ik kan niet precies aangeven sinds wanneer [naam C.] elke dag bij mij in de woning is. (…) Ik heb geen melding gemaakt van het feit dat [naam C.] grotendeels de tijd doorbrengt in mijn woning. (...) U vraagt mij nogmaals sinds wanneer [naam C.] en ik feitelijk samen verblijven op mijn adres. Sinds oktober/november 2005 zijn wij samen, dit is op en af gegaan.” Appellante heeft ter zitting van de Raad verklaard dat [naam C.] rond de geboorte van hun zoon veelvuldig bij haar heeft verbleven, maar dat dit later is afgebouwd tot het verblijf in haar woning op basis van de tussen hen afgesproken bezoekregeling (tussen 14.00 en 20.00 uur). De Raad is van oordeel dat appellante de bedoelde afbouw niet aannemelijk heeft gemaakt, nu uit haar verklaring op 12 april 2007 alsmede uit de observaties van de SRT in de periode van 19 januari 2007 tot en met 7 april 2007 genoegzaam blijkt dat [naam C.] niet slechts tussen 14.00 en 20.00 uur in de woning van appellante heeft verbleven.

4.2.3. De Raad is van oordeel dat de observaties van de SRT in de periode van 19 januari 2007 tot en met 7 april 2007 als ondersteunend bewijs voor het gezamenlijk hoofdverblijf kunnen dienen. Op de dagen dat de observaties plaatsvonden, is de auto van [naam C.] vele malen, ook ’s avonds laat en ’s ochtends vroeg, in de nabijheid van de woning van appellante waargenomen. De stelling van appellante dat de aanwezigheid van de auto van [naam C.] aldaar niets zegt over zijn verblijf in de woning van appellante, kan de Raad niet onderschrijven. Nu niet in geschil is dat [naam C.] in Enschede een woning heeft en appellante geen rijbewijs heeft, is de aanwezigheid van de auto in de nabijheid van de woning van appellante een duidelijke indicatie van het verblijf van [naam C.] in de woning van appellante. De enkele stelling dat [naam C.] soms ’s avonds ook wel eens met de fiets naar Enschede ging, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.2.4. Appellante betoogt dat de rechtbank bij haar oordeel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verklaring van [naam L.]. [naam L.], die een bekende is van appellante, heeft op 12 april 2007 ten overstaan van de SRT verklaard dat Pancho, de bijnaam van [naam C.], eens in de twee weken in de woning van appellante komt om op de kinderen te passen en af en toe komt om te helpen met de boodschappen. Gelet op de verklaring van appellante en de observaties van de SRT kan niet anders worden geconcludeerd dan dat deze verklaring geen beschrijving betreft van de werkelijke situatie ten tijde van belang. Het water- en energieverbruik in de woning van [naam C.] kan appellante ook niet baten. Nog daargelaten dat geen verklaring is verkregen voor het feit dat in de woning van [naam C.] sprake is geweest van enerzijds een relatief zeer hoog water- en elektriciteitsverbruik en anderzijds een relatief zeer laag gasverbruik, kunnen deze verbruiksgegevens met betrekking tot de woning van [naam C.] niet afdoen aan de conclusie over het gezamenlijk hoofdverblijf van appellante en [naam C.] ten tijde van belang in de woning van appellante.

4.2.5. De Raad komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante en [naam C.] in de periode van 3 februari 2006 tot en met 12 april 2007 hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad.

4.2.6. De stelling van appellante dat de uitspraak van de rechtbank niet zorgvuldig tot stand is gekomen en de uitspraak niet deugdelijk is gemotiveerd, treft geen doel. De rechtbank heeft op grondslag van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan. Voorts bevat de uitspraak de gronden van de beslissing als bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, waarbij de rechtbank uitvoerig heeft gemotiveerd hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

4.3 De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking. Dit brengt tevens mee dat het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2011.

get.) J.F. Bandringa.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB