Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09-697 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/697 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2008, 08/1732 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Vlerk, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Vlerk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), sinds april 2006 naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Hij heeft aan het College [adres A] te [woonplaats] als zijn woonadres opgegeven.

1.2. Nadat bij een thematische controle is gesignaleerd dat het adres dat op de door appellant in het kader van die controle ingediende bankafschriften staat niet overeenkomt met het GBA-adres van appellant, alsmede dat er van die bankrekening geen opnamen plaatsvinden voor kosten van levensonderhoud, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft appellant op 8 en 21 november 2007 verklaringen afgelegd en is op 21 november 2007 een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 november 2007. Dit rapport is met appellant besproken op 8 januari 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 17 januari 2008 de bijstand van appellant met ingang van 21 november 2007 te beëindigen (lees: in te trekken).

1.3. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2008 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de intrekking van de bijstand met ingang van 21 november 2007 ten onrechte artikel 40 van de WWB ten grondslag is gelegd en het College nader van oordeel is dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij feitelijk niet verblijft op [adres A] te [woonplaats], waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het besluit van 12 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 21 november 2007 tot en met 17 januari 2008.

4.2. De Raad merkt vervolgens op dat de vraag waar iemand zijn woonadres heeft naar vaste rechtspraak dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke situatie. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan de onder 1.2 genoemde verklaringen van appellant in combinatie met de bevindingen bij het huisbezoek. Op 8 november 2007 heeft appellant verklaard dat hij bij zijn moeder woont en dat zij voor hem wast en kookt en dergelijke en dat hij daar ook slaapt. Tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat in geen van de slaapkamers een bed aanwezig was, er op een zak met kleren na geen kleding in de woning aanwezig was en appellant verklaarde dat zijn kleding voor het grootste gedeelte bij zijn moeder lag, er geen administratie in de woning aanwezig was en appellant verklaarde dat hij zijn administratie in de woning van zijn moeder bewaart, er in de keukenkastjes alleen koffie en thee aanwezig was en geen bederfelijke spullen en dat overigens een koelkast ontbrak, evenals een wasmachine. De woning maakte kortom, zoals de gemachtigde van het College ter zitting nog eens samenvatte, een niet-bewoonde indruk. Voorts heeft appellant op 8 januari 2008 verklaard dat zijn centrale verwarming het al twee jaar niet deed. Voor de stelling van appellant dat hij niet eenduidig heeft verklaard als gevolg van de gehanteerde ondervragingstechnieken zijn geen objectieve aanknopingspunten te vinden.

4.4. De omstandigheid dat appellant op 21 november 2007 heeft verklaard dat hij bij zijn moeder verblijft omdat zij ziek is, doet aan de geconstateerde feitelijke situatie niet af. Aan de in hoger beroep overgelegde medische gegevens van appellants moeder kent de Raad om die reden dan ook geen betekenis toe. Dat appellant in de periode in geding vaak op [adres A] sliep en at, zoals hij in hoger beroep heeft gesteld, komt niet overeen met de bevindingen van het huisbezoek en appellants verklaring op 8 november 2007, zoals weergegeven onder 4.3. Dat appellant op 8 november 2007 heeft verklaard bij zijn moeder te “wonen” omdat hij niet bekend is met de fijne nuances tussen wonen, verblijven en hoofdverblijf acht de Raad gelet op hetgeen in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan onder wonen niet aannemelijk. Ook aan de stelling van appellant dat hij de kruidenier doorgaans contant betaalt met geld dat hij heeft gepind en dat het College derhalve ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellant nauwelijks geldopnames voor levensonderhoud zou plegen, gaat de Raad voorbij nu dit niet overeen komt met de bevindingen van de themacontrole, waarbij aan de hand van de bankafschriften van appellant de transacties gedurende vier maanden in beeld zijn gebracht.

4.5. Dat de woning van appellant spaarzaam gemeubileerd was omdat hij geen geld had om de woning in te richten, is naar het oordeel van de Raad geen afdoende verklaring voor het ontbreken van administratie en het nagenoeg ontbreken van kleding en levensmiddelen in de woning. Het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 18 november 2008, LJN BG4787, kan daarom niet slagen.

4.6. De Raad volgt ten slotte appellant niet in zijn standpunt dat het College ten onrechte heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het College, wetende dat appellant in ieder geval in [woonplaats] woonde en dat hij op een bijstandsuitkering was aangewezen om in zijn levensonderhoud te voorzien, hem een bijstandsuitkering zonder woontoeslag had moeten toekennen. Naar het oordeel van de Raad gaat appellant daarmee er aan voorbij dat hij, na de eerder op 8 en 21 november 2007 afgelegde verklaringen, op 8 januari 2008 op de vraag waar hij verblijft als hij niet in de eigen woning verblijft, heeft geantwoord overal en nergens te verblijven.

4.7. Gelet op het voorgaande moet dan ook worden geconstateerd dat appellant niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB, en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of hij ten tijde hier van belang in omstandigheden verkeerde als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient voor zover aangevochten te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD