Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
10-446 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding van huishoudelijke hulp voor meer dan vier uur per week. Naar het oordeel van de Raad boden de aanvraag, het sociaal rapport en de daarop gebaseerde medische adviezen voldoende grondslag voor het standpunt van verweerster dat appellant nog in staat is om licht huishoudelijk werk te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/446 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 11 december 2009, kenmerk BZ 9328 JZ/P70/2009 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bierenbroodspot. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1930, is erkend als burger-oorlogsslachtoffer. Verweerster heeft hem een toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo en een vergoeding van niet-gedekte medische kosten in verband met psychische klachten toegekend.

1.2. Bij brief van 27 mei 2009 heeft appellant voor zover thans nog van belang verzocht om toekenning van een vergoeding voor huishoudelijke hulp. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerster hem bij besluit van 11 september 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, met ingang van 1 mei 2009 een vergoeding toegekend voor de kosten van vier uur huishoudelijke hulp per week. Vergoeding van huishoudelijke hulp voor meer dan vier uur per week is geweigerd.

2. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Appellant betoogt dat hem ten onrechte meer dan vier uur huishoudelijke hulp per week is geweigerd. Deze beroepsgrond faalt om de volgende redenen.

2.2. In het door hem in juni 2009 ondertekende aanvraagformulier heeft appellant de vraag welke huishoudelijke werkzaamheden hij niet kan verrichten beantwoord met: "Stofzuigen; ruiten wissen; zwaar tillen; strijken, etc.". In het sociaal rapport van 7 juli 2009, in het kader van de aanvraag opgesteld door de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, is onder meer aangegeven dat appellant met zijn vrouw een gelijkvloers appartement bewoont, dat hij zijn vrouw helpt bij het bereiden van de warme maaltijden en dat hij ook de afwas doet. Op grond van dit sociaal rapport en de medische informatie van de huisarts en de behandelend psycholoog heeft verweersters geneeskundig adviseur, de arts P. Windels, gerapporteerd dat er geen medische indicatie is voor meer dan de beleidsmatig toe te kennen vier uur huishoudelijke hulp per week.

2.3. Verweerster heeft het bezwaar van appellant nog voorgelegd aan haar geneeskundig adviseur, de arts G.J. Laatsch. Deze arts heeft aangegeven dat uit het sociaal rapport blijkt dat appellant de zware huishoudelijke taken niet meer aankan, maar de lichte nog wel. Hij acht dit in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit het sociaal rapport dat appellant nog redelijk kan lopen en fietsen en met de medische gegevens. Er bestaat geen medische noodzaak voor toekenning van meer dan vier uur huishoudelijke hulp per week, aldus Laatsch.

2.4. Naar het oordeel van de Raad boden de aanvraag, het sociaal rapport en de daarop gebaseerde medische adviezen voldoende grondslag voor het standpunt van verweerster dat appellant nog in staat is om licht huishoudelijk werk te verrichten. Dit betekent op grond van het geldende beleid dat appellant niet in aanmerking komt voor vergoeding van meer dan vier uur huishoudelijke hulp per week.

2.5. Anders dan appellant meent, brengt de omstandigheid dat zijn thuissituatie niet door een arts is onderzocht niet met zich dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De aanvraag en het sociaal rapport waren, zeker in onderling verband bezien, voldoende duidelijk om daarop de medische adviezen en vervolgens het bestreden besluit te kunnen baseren. Hieraan doet niet af dat uit het rapport tevens naar voren komt dat het verrichten van huishoudelijk werk appellant niet gemakkelijk afgaat en in huis tot spanningen leidt. In de aanvraag en het rapport is gedetailleerd aangegeven waartoe appellant in de dagelijkse praktijk in staat is en die beschrijving laat zien dat licht huishoudelijk werk daartoe nog behoort.

2.6. Aan appellant kan worden toegegeven dat het feit dat de huisarts niet bereid was een uitspraak te doen over zijn beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken nog niet wil zeggen dat die beperkingen er niet zijn. De weigering van de huisarts berustte enkel op diens opvatting dat een onderzoek naar beperkingen niet tot de taak van de behandelende sector behoort. Echter, het gaat om de feitelijke mogelijkheden die appellant nog heeft. Nu de feitelijke situatie op dit punt voldoende duidelijk was, kan het om welke reden dan ook ontbreken van een advies van de huisarts op dit punt niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.7. De door appellant overgelegde verklaring van de neurochirurg F.M. van Krieken geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Uit deze verklaring komt naar voren dat appellant een gezonde leefwijze heeft, amper drinkt, niet rookt en aan sport doet (bergwandelen). Deze bevindingen ondersteunen het beeld dat appellant zich over het geheel genomen nog goed kan redden. Dat Van Krieken appellant absoluut heeft verboden om zware lichamelijke arbeid te verrichten, waarbij het gaat om tillen of verplaatsen van gewichten van meer dan 10 kg, wijst niet op een zodanige beperking dat het verrichten van licht huishoudelijk werk in de zin van het door verweerster gehanteerde beleid redelijkerwijs niet meer van appellant zou kunnen worden gevergd.

2.8. Ook de beroepsgrond met betrekking tot de ingangsdatum van de vergoeding treft geen doel. Verweerster heeft de vergoeding laten ingaan per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Dit is in overeenstemming met de hoofdregel welke voortvloeit uit artikel 40, eerste lid, van de Wubo. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die voor verweerster aanleiding hadden moeten zijn om met toepassing van het tweede lid tot een vroegere ingangsdatum te besluiten.

2.9. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Nijholt.

JvS