Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
08-4186 WAO + 08-4188 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekeningsbesluit en verhaalsbesluit. Ontkenning ontvangst toerekeningsbesluit ongeloofwaardig. Voor appellante gold een onderzoeksplicht, nu zij bekend was dan wel kon zijn met de WAO-uitkering van de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4186 WAO

08/4188 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2008, 07/3082 en 07/4303 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie, gevestigd te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De griffier heeft bij fax van 5 januari 2011 appellante enkele vragen doen toekomen.

De meervoudige kamer heeft de zaak op 6 januari 2011 verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2011. Namens appellante is verschenen [naam B.], bijgestaan door mrs. X. Evers en J. Laman als opvolgend gemachtigden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Stoop.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De werknemer [naam werknemer] (hierna: de werknemer) is op 31 januari 2000 bij [naam v.o.f.], een rechtsvoorgangster van appellante en hierna mede te noemen: appellante, in dienst getreden en heeft zich met ingang van 4 september 2001 ziek gemeld. Het Uwv heeft bij besluit van 6 december 2002 – dat op 6 november (lees: december) 2002 in afschrift aan appellante is verzonden – aan de werknemer, in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd, met ingang van 3 september 2002 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

1.2. Appellante heeft bij brief van 29 maart 2004 een aanvraag gedaan met het oog op het met ingang van 1 juli 2004 dragen van eigen risico als bedoeld in de WAO.

2. Bij besluit van 24 april 2007 (het toerekeningbesluit) heeft het Uwv aan [naam B.V. 2] – de rechtsopvolgster van de in 1.1 vermelde rechtsvoorgangster van appellante, eveneens rechtsvoorgangster van appellante en hierna eveneens mede te noemen: appellante – aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden en vanaf die datum de WAO-uitkering van de werknemer moet betalen, zolang deze nog geen vijf jaar heeft geduurd. Bij besluit van 4 juli 2007 (het verhaalsbesluit) heeft het Uwv aan appellante bericht dat zij € 47.800,46 moet terugbetalen in verband met door het Uwv aan de werknemer betaalde WAO-uitkering over de periode 1 juli 2004 tot 1 juli 2007.

3. Bij besluit van 3 augustus 2007 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het toerekeningsbesluit ongegrond verklaard. Bij besluit van 8 november 2007 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het verhaalsbesluit ook ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

4.2. Inzake haar oordeel dat appellante eerst in de loop van de procedures de ontvangst van het toestemmingsbesluit om eigen risicodrager te worden niet geloofwaardig heeft ontkend heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwogen als volgt:

“Gelet op artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de bekendmaking van een besluit te geschieden door toezending of uitreiking aan de belanghebbende, onder wie begrepen de aanvrager. Verweerder heeft aangegeven de toestemmingsbesluiten ten aanzien van het eigenrisicodragerschap in 2004 middels een geautomatiseerd systeem te hebben verzonden. Van de werkgevers aan wie een toestemmingsbesluit is uitgereikt is een afzonderlijke verzendlijst aangemaakt. Eiseres staat op deze verzendlijst. Uit de kostenoverweging zijn de besluiten niet aangetekend verstuurd.

Hoewel het toestemmingsbesluit niet aangetekend is verstuurd, is - anders dan eiseres meent - het risico niet voor de afzender (vergelijk Centrale Raad van Beroep 25 augustus 2004 www.rechtspraak.nl AQ8960). In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, gezien de door verweerder overgelegde verzendrapportage en de uitleg daarbij, de verzending van het toestemmingsbesluit aan het juiste adres van de [naam v.o.f.] genoegzaam aannemelijk is geworden. Dat eiseres eerst jaren later in de onderhavige procedures vragen opwerpt omtrent de afgifte van het toestemmingsbesluit en het al dan niet bekend zijn met dit besluit, nu zij geconfronteerd wordt met de nadelige financi?le gevolgen van het toestemmingsbesluit, maakt thans niet dat sprake is van een geloofwaardige ontkenning van de ontvangst van het toestemmingsbesluit en bekendheid daarmee. Daarbij komt dat de rechtsvoorganger van eiseres, de [naam v.o.f.], nimmer naar aanleiding van verweerders brief van 4 februari 2005 waarin staat dat zij per 1 juli 2004 in verweerders systemen als eigenrisicodrager voor de WAO is opgenomen, heeft aangegeven dat dit onjuist is. Integendeel, de rechtsvoorganger heeft naar aanleiding van deze brief het premieloonbedrag van de helft van het jaarpremieloon ingevuld waarna de afrekeningsnota 2004 door verweerder overeenkomstig is vastgesteld voor de duur van een half jaar, te weten het eerste helft van 2004. Tegen deze vaststelling is (de rechtsvoorganger van) eiseres ook niet opgekomen.

Gezien het hiervoor overwogen is de [naam v.o.f.], rechtsvoorganger van eiseres, eigenrisicodrager geworden.”

4.3. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat de verzekeraar een garantiestelling heeft afgegeven aan [naam v.o.f.] niet afdoet aan het feit dat appellante als rechtsopvolgster alle rechten en plichten heeft overgenomen. Voorts heeft de rechtbank erop gewezen dat niet in geschil is dat appellante het besluit van 6 december 2002 heeft ontvangen en dat het aan haar is een afweging te maken of zij eigen risicodrager wenste te worden, waarbij het Uwv geen adviserende taak of een zorgplicht inzake het zogenoemde inlooprisico heeft. Verder heeft de rechtbank wat betreft het geruime tijd uitblijven van toerekening en verhaal gewezen op de verplichting van het Uwv de werknemer te betalen en op de verplichting tot toerekening en verhaal. Ten slotte heeft de rechtbank aangegeven waarom appellante op basis van het beleid van het Uwv niet meer kan terugkeren naar het publieke bestel.

5. In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald.

6.1.1. Wat betreft het oordeel van de rechtbank over de in overweging 4.2 bedoelde ongeloofwaardigheid heeft de Raad geen aanleiding gezien daarover tot een ander oordeel te komen. Naast hetgeen de rechtbank op zich met juistheid heeft overwogen en naast de ter zitting, naar aanleiding van de in rubriek I van deze uitspraak vermelde vraagstelling, ter sprake gekomen uitspraak van de Raad van 8 mei 2009 (LJN BI4660), welke is gewezen naar aanleiding van het hoger beroep van het Uwv tegen de door appellante in verband met het oordeel van de rechtbank vermelde uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 september 2007 (LJN BB4601), en de uitspraak van 26 februari 2010 (LJN BL6033), wijst de Raad erop dat appellante ook in haar reactie van 2 april 2007 op de vooraankondiging kosten eigen risicodrager WAO van 19 maart 2007 niet heeft aangegeven het toestemmingsbesluit niet te hebben ontvangen. Aan het door de Raad onderschreven oordeel van de rechtbank doet in dit geval dan ook – evenals in de uitspraak van 26 februari 2010 – niet af het feit dat in het dossier een afschrift van het toestemmingsbesluit ontbreekt. De Raad merkt in dit verband overigens nog op dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft toegelicht dat op de in beroep overgelegde bladzijde van het excelbestand “definitieve eindlijst goedkeuringen ER WAO”, waarop het aansluitnummer van appellante is vermeld, de datum 12 november 2004 is vermeld als datum van het toestemmingsbesluit om met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden.

6.1.2. In dit verband komt, gelet op overweging 6.1.1, geen betekenis toe aan de ter zitting namens appellante vermelde uitspraak van de Raad van 20 juli 2007 (LJN AY5665). Deze uitspraak zag immers op de zich hier niet voordoende situatie dat het Uwv zich bij zijn afwijzing van een aanvraag om eigen risicodrager te worden had beroepen op een niet tijdige inzending van de vereiste garantieverklaring van de verzekeraar. Voorts moet worden vastgesteld dat, nu in verband met overweging 6.1.1 niet kan worden geoordeeld dat appellante met ingang van 1 juli 2004 geen eigen riscodrager voor de WAO is geworden, op tussentijdse overname van de onderneming van appellante artikel 75b van de WAO onverkort van toepassing is.

6.2. Wat betreft de grond van appellante dat de garantieverklaring van haar verzekeraar aan het Uwv niet het zogenoemde inlooprisico van lopende WAO-gevallen dekt, wijst de Raad – nog daargelaten dat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het toestemmingsbesluit – erop dat van de zijde van het Uwv in het verweerschrift is aangegeven dat in die garantieverklaring, anders dan in de polis “WAO Eigenbeheer Daggeldpolis” van appellante, dit inlooprisco niet is uitgesloten en dat de juistheid van deze vaststelling in het verweerschrift ter zitting van de zijde van appellante op zich niet is ontkend. Voorts heeft het Uwv aangegeven dat de onderhavige garantieverklaring de relatie verzekeraar tot het Uwv betreft en de evenvermelde polis die tussen appellante en de verzekeraar.

6.3. Wat betreft het beroep van appellante op het Besluit incasso boeten en onverschuldigde betaling werkgevers, vastgesteld door een rechtsvoorganger van het Uwv op 17 juli 1996 en nadien verschillende malen gewijzigd, stelt de Raad vast dat dit op invordering betrekking hebbende besluit niet kan afdoen aan de verplichting tot verhaal op appellante van de feitelijk over de in het verhaalsbesluit betreffende periode betaalde WAO-uitkering van de werknemer op grond van artikel 75a, vierde lid en in dit geval artikel 75b van de WAO.

6.4. Wat betreft het ook in hoger beroep herhaalde verzoek van appellante tot terugkeer met terugwerkende kracht naar het publieke bestel op basis van het zogenoemde coulancebeleid van het Uwv wijst de Raad op hetgeen ter zake is overwogen in zijn in overweging 6.1.1 vermelde uitspraken van 8 mei 2009 en 26 februari 2010. In overweging 4.5 van de uitspraak van 8 mei 2009 is aangegeven dat de weigering van een dergelijk verzoek in het besluit op bezwaar als een primair besluit moet worden aangemerkt. Wat betreft de in de besluiten 1 en 2 tevens vervatte weigeringen van het verzoek van appellante ligt dit niet anders, zodat de Raad – in lijn met zijn uitspraak van 8 mei 2009 – de beroepschriften in eerste aanleg aan het Uwv zal doorsturen ter behandeling als bezwaar. De Raad tekent daarbij nog aan dat het Uwv bij de behandeling van dit bezwaar tevens de uitspraak van de Raad van 19 februari 2010 (LJN BL4562), waarin nader is overwogen inzake de aard en het rechtskarakter van besluitvorming op een verzoek als het onderhavige, in aanmerking dient te nemen.

6.5. De Raad ziet ten slotte niet in, dat, reeds in verband met het feit dat appellante bekend was dan wel kon zijn met de WAO-uitkering van de werknemer, voor haar de in besluit 1 vermelde, op haar rustende onderzoeksplicht zoals geformuleerd in zijn uitspraak van 10 oktober 2006 (LJN AZ 0127) niet zou opgaan. Zoals overwogen in 1.1 was het WAO-besluit van werknemer haar immers in afschrift toegezonden, terwijl voorts in besluit 1 is aangegeven dat appellante, zoals aan haar verzocht, een op 17 oktober 2002 gedateerd formulier met door haar ingevulde loongegevens van werknemer heeft geretourneerd aan het Uwv.

6.6. De overwegingen 6.1.1 tot en met 6.5 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Mostert.

JL