Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09-6823 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht de conclusie getrokken dat betrokkene gedurende de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode onvoldoende zijn geweest. De Raad neemt voorts de conclusie van appellant over dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6823 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 november 2009, 09/153 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[J.L.B.V.], gevestigd te [plaats- naam] (hierna: betrokkene).

en

appellant

Datum uitspraak: 9 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. Voor betrokkene is verschenen mr. De Leest.

II. OVERWEGINGEN

1.1. U.P.B. Detering (hierna: de werknemer), die werkzaam was als medewerker expeditie in het bedrijf van betrokkene, heeft zich per 13 september 2006 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Op 15 mei 2008 heeft de werknemer een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

1.2. Bij besluit van 5 september 2008 heeft appellant het tijdvak waarin de werknemer jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van die Wet.

1.3. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 5 september 2008 herroepen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft – kort weergegeven – geoordeeld dat het standpunt van appellant, inhoudende dat een werkgever de gevolgen moet dragen van een in de visie van appellant onjuist advies van zijn arbodienst/bedrijfsarts ook als de werkgever niet objectief hoefde te twijfelen aan dat advies, neerkomt op de aanvaarding van een risicoaansprakelijkheid van de werkgever voor de advisering door zijn arbodienst/bedrijfsarts. Dit wordt, volgens de rechtbank, in strijd geacht met het bepaalde in artikel 65, tweede volzin, van de Wet WIA en met de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels).

3. Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009 (LJN BK3713), aangevoerd dat de verantwoordelijkheid van de werkgever en werknemer de verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst. De grond van betrokkene dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op het oordeel van haar eigen deskundige, kan dan ook niet slagen, aldus appellant.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Met appellant is de Raad van oordeel dat, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009 (LJN BK3713), betrokkene verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie van de werknemer met inbegrip van de werkzaamheden van degene die hij daarbij inschakelt. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd – hetgeen kort weergegeven neerkomt op het standpunt dat betrokkene geen objectieve aanleiding had om te veronderstellen dat het advies van de bedrijfsarts niet deugdelijk was – ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van betrokkene als werkgeefster tot een andersluidend oordeel te komen. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank een onjuiste invulling heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 65, tweede volzin, van de Wet WIA en de Beleidsregels.

4.3. De Raad ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of appellant terecht de loondoorbetalingsverplichting van betrokkene jegens werknemer met 52 weken heeft verlengd.

4.4. Vastgesteld kan worden dat de stukken voldoende steun bieden voor de conclusie van appellant dat gedurende de wachttijd ten aanzien van de werknemer sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene. In dit verband wijst de Raad op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens van 9 december 2008 en in het bijzonder op de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts van 8 juli 2008, 22 augustus 2008 en 2 december 2008. In de rapporten van de verzekeringsarts N.M.O.H. Hermans van 8 juli 2008 en 22 augustus 2008 is, naar aanleiding van dossieronderzoek, informatie van de bedrijfsarts, het trajectplan Arbeidsrehabilitatie van 24 april 2007 en voorts onderzoek van de werknemer, uitvoerig ingegaan op de relevante medische aspecten. Hermans heeft aangegeven dat de werknemer zich per 13 september 2006 heeft ziek gemeld in verband met een psychische decompensatie. Vanaf oktober 2006 tot april 2007 volgde hij dagbehandeling, eerst in de stabilisatie- en later in de resocialisatiegroep. Zijn medische situatie is geleidelijk verbeterd. Vanuit de resocialisatiegroep werd rond april/mei 2007 begeleiding gestart door de afdeling Arbeidsrehabilitatie en is hij met een geleidelijke opbouw gaan werken in de groenvoorziening op het terrein van de psychiatrische instelling waar hij in behandeling is. Vanaf dat moment kan, volgens de te hanteren richtlijnen, ten aanzien van het verrichten van arbeid niet meer worden gesproken over “geen benutbare mogelijkheden”, wel over beperkingen, aldus de verzekeringsarts. De bedrijfsarts is naar aanleiding van aanvullende vragen van de verzekeringsarts in zijn brief van 30 juni 2008 teruggekomen van zijn eerdere standpunt dat bij werknemer vanaf het moment van ziekmelding (13 september 2006) geen arbeidsmogelijkheden zouden bestaan. Daarbij heeft hij aangegeven dat in november 2007 in feite een arbeidskundig onderzoek gestart had moeten worden naar de mogelijkheid van ander werk bij betrokkene of bij een andere werkgever, nu gesteld kan worden dat vanaf oktober 2007 sprake is van arbeidsmogelijkheden. De verzekeringsarts heeft op grond hiervan en zijn eigen bevindingen de conclusie getrokken dat ten onrechte van de zijde van betrokkene is gesteld dat er bij de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn en dat eveneens ten onrechte geen re-integratie-activiteiten zijn ondernomen. Er zijn volgens de verzekeringsarts Hermans derhalve re-integratiekansen gemist. De bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen heeft deze conclusie onderschreven in de rapportage van 2 december 2008 en aangeven dat bij werknemer niet voortdurend sprake is geweest van een situatie zonder benutbare mogelijkheden conform de daarvoor geldende criteria, hetgeen ook wordt bevestigd door de bedrijfsarts. Het behoort niet tot de specifieke deskundigheid van de bedrijfs- of verzekeringsarts om te kunnen beoordelen of iemand al dan niet geschikt is voor werk op de vrije arbeidsmarkt. Hiervoor is arbeidskundig onderzoek aangewezen, aldus de bezwaarverzekeringsarts Tjen.

4.5. De bezwaararbeidsdeskundige Leentjens heeft vervolgens met betrekking tot de door de verzekeringsarts opgestelde – en door de bezwaarverzekeringsarts Tjen bevestigde – Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 augustus 2008 gesteld dat daaruit valt af te leiden dat beperkingen gelden ten aanzien persoonlijk en sociaal functioneren van de werknemer. Deze beperkingen zijn volgens Leentjens echter niet van dien aard dat er reden is om aan te nemen dat de werknemer op arbeidskundige gronden volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Er is immers geen sprake van een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo of ernstige beperkingen op het gebied van herinneren, zelfstandig handelen of samenwerken. Evenmin is er sprake van een zodanige combinatie van beperkingen (onder meer voorgestructureerd werk in combinatie met aangewezen zijn op intensieve begeleiding), dat arbeid op de reguliere arbeidsmarkt niet tot de mogelijkheden behoort. Ook in de FML is niet vermeld dat de werknemer aangewezen is op werk in een beschutte omgeving of op thuiswerk. Betrokkene heeft dan ook, aldus de bezwaararbeidsdeskundige, onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht.

4.6. Nu nadere (medische) informatie ontbreekt op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, heeft appellant naar het oordeel van de Raad terecht de conclusie getrokken dat betrokkene gedurende de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode onvoldoende zijn geweest. De Raad neemt voorts – onder verwijzing naar hetgeen onder 4.2 is overwogen – de conclusie van appellant over dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.

5. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd in rechte stand kan houden. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het inleidende beroep ongegrond.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK