Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
08/6246 WWB + 10/6077 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Ontbreken van procesbelang. Intrekking van de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 omdat betrokkene in het opschortingsbesluit van 22 oktober 2007 niet is gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet tijdig herstellen van het verzuim. Naar het oordeel van de Raad is reeds om die reden sprake van, aan het bestuur te wijten, onrechtmatigheid. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/117

Uitspraak

08/6246 WWB

10/6077 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en

het bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 oktober 2008, 08/685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het bestuur

Datum uitspraak: 1 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft drs. C. Atema, werkzaam bij Stichting Bok-die-leit te St. Annaparochie, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Ok het bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft drs. Atema een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Voor betrokkene is verschenen drs. Atema. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.S. de Vries, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 18 november 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 1 november 2007 heeft het bestuur de bijstand van betrokkene met ingang van 1 oktober 2007 beëindigd en over de periode van 19 september 2007 tot en met 30 september 2007 herzien, op de grond dat betrokkene heeft verzuimd om de door het bestuur gevraagde bankafschriften te overleggen en daarmee de inlichtingenplicht heeft geschonden.

1.3. Bij besluit van 21 november 2007 heeft het bestuur de bijstand van betrokkene met ingang van 19 september 2007 ingetrokken en de over de periode van 19 september 2007 tot en met 30 september 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 281,42 van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 12 maart 2008 heeft het bestuur het bezwaar tegen de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 gegrond verklaard en deze besluiten ingetrokken. Het bestuur heeft hiertoe besloten omdat betrokkene in het aan het besluit van 1 november 2007, ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB voorafgaande opschortingsbesluit van 22 oktober 2007 niet is gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet tijdig herstellen van het verzuim zoals bedoeld in artikel 54, vierde lid, van de WWB. Verder heeft het bestuur het verzoek om smartengeld en het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen de instandhouding van de motivering van de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang, het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de schadevergoeding ongegrond verklaard, het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van een vergoeding van de proceskosten in bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 12 maart 2008 voor zover het betrekking heeft op het afwijzen van een vergoeding van de proceskosten in bezwaar vernietigd. Voorts is het bestuur veroordeeld tot betaling van de door betrokkene in bezwaar gemaakte proceskosten en het door betrokkene betaalde griffierecht.

3. Partijen hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van betrokkene

4.1. Betrokkene stelt dat het verwijt van schending van de inlichtingenplicht niet in stand kan worden gehouden omdat dat tot een verzwakking van haar rechtspositie tegenover de sociale dienst leidt. In dit verband heeft zij uitsluitend aangevoerd dat ingevolge artikel 9 van de Verordening WWB het percentage van een op te leggen maatregel wordt verdubbeld indien binnen twaalf maanden na een verwijtbare gedraging sprake is van recidive. Omdat bij besluit van 12 maart 2008 de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 zijn ingetrokken maar het verwijt van de schending van de inlichtingenplicht in stand is gelaten moet deze aantijging ook worden ingetrokken met het oog op een mogelijke recidive.

4.2. De Raad stelt, op grond van hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, vast dat het bestuur in de periode van 12 maanden na de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 geen maatregel heeft opgelegd aan betrokkene, zodat in een oordeel van de Raad over de instandhouding van het verwijt van de schending van de inlichtingenplicht voor betrokkene in zoverre geen procesbelang kan zijn gelegen.

4.3. Betrokkene eist € 3.000,-- aan smartengeld omdat zij schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatige verstoring van de continuïteit van haar uitkering waardoor zij haar werk, huurhuis en ziektekostenverzekering is kwijtgeraakt en tevens is afgesloten van gas en elektriciteit toevoer.

4.4. De Raad is van oordeel dat betrokkene zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat er in verband met de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 sprake is van geleden schade. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtige van betrokkene ter zitting heeft verklaard dat de gestelde schade op persoonlijke veronderstellingen is gebaseerd. De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek om smartengeld dan ook terecht in stand gelaten.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor wat betreft deze onderdelen in stand kan blijven.

Het hoger beroep van het bestuur

4.6. Het bestuur stelt dat zij ten onrechte tot betaling van de door betrokkene in bezwaar gemaakte proceskosten zijn veroordeeld. Het bestuur heeft aangevoerd dat indien betrokkene tijdig had voldaan aan het verzoek van het bestuur om bankafschriften te overleggen, dit niet had geleid tot de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007. De onrechtmatigheid van deze twee besluiten is daardoor niet aan het bestuur te wijten. Voorts heeft het bestuur aangevoerd dat betrokkene ten aanzien van de dienstverlening door de Stichting Bok-die-leit geen kosten heeft gemaakt, zodat voor een proceskostenveroordeling geen plaats is.

4.7. De Raad is van oordeel dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid, voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op één lijn moet worden gesteld met het geheel of gedeeltelijk herroepen - met toepassing van artikel 7:11 van de Awb - van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid.

4.8. De Raad stelt vast dat het bestuur is overgegaan tot intrekking van de besluiten van 1 november 2007 en 21 november 2007 omdat betrokkene in het opschortingsbesluit van 22 oktober 2007 niet is gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet tijdig herstellen van het verzuim. Naar het oordeel van de Raad is reeds om die reden sprake van, aan het bestuur te wijten, onrechtmatigheid. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de omstandigheid, dat bovengenoemde besluiten het gevolg waren van het door betrokkene niet tijdig overleggen van de gevraagde bankafschriften, in het voorliggende geval niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen.

4.9. De Raad stelt op grond van de door betrokkene in geding gebrachte overeenkomst vast dat betrokkene een, zij het zeer gering, bedrag aan de Stichting Bok-die-leit verschuldigd is als tegemoetkoming in de kosten van de juridische procedure met betrekking tot de beëindiging van haar bijstandsuitkering. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad staat hiermee in voldoende mate vast dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Hieraan kan niet afdoen dat op de website van de Stichting Bok-die-leit wordt vermeld dat gratis rechtshulp wordt verleend en dat bij gegrond verklaring van het beroep de bijdrage voor rechtshulp wordt verhoogd. Immers, ook onder die omstandigheden zullen, indien de procedure wordt gewonnen, er proceskosten worden gemaakt, waarmee is voldaan aan het kostenvereiste als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hoger beroep van het College kan derhalve niet slagen.

4.10. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd. Voorts ziet de Raad aanleiding het bestuur te veroordelen in de kosten van het hoger beroep van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 644,--;

Bepaalt dat van het bestuur een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD