Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
10-02-2011
Zaaknummer
09-6864 ZW + 09-6867 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6864 ZW + 09/6867 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 november 2009, 08/2230 en 08/3119 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn vader tevens gemachtigde, [naam vader]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 24 juli 2006 beëindigd. Bij brief van 31 maart 2008 is daartegen namens appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 juni 2008 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 29 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts heeft het Uwv in dat besluit bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 21 maart 2005 wordt ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% bedraagt. Bij brief van 29 augustus 2008 is daartegen namens appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 september 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv ook dat bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant tot twee keer toe de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ruim had overschreden en heeft voorts geconcludeerd dat de door appellant aangevoerde omstandigheden er niet toe kunnen leiden dat die termijnoverschrijding hem niet kan worden verweten.

4. Namens appellant is in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, naar voren gebracht dat hij gedurende de gehele bezwaartermijnen wegens ernstige psychische klachten buiten staat was zijn belangen adequaat te behartigen en bezwaarschriften in te dienen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen afschrift van het besluit van 30 juni 2008 aan zijn vader heeft gezonden, terwijl bij het Uwv bekend was dat zijn vader zijn belangen behartigde.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijnen voor het indienen van de bezwaarschriften ruim zijn overschreden. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de niet-ontvankelijk verklaringen van de bezwaren van appellant achterwege hadden dienen te blijven, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij beide keren in verzuim is geweest.

5.2. Evenals de rechtbank kan de Raad noch uit de in de stukken genoemde omstandigheden noch uit de in beroep overgelegde rapportage van het Medisch Adviesbureau Amanu van 21 april 2007 afleiden dat het voor appellant gedurende de beide gehele bezwaartermijnen onmogelijk was bezwaar te maken, al dan niet door inschakeling van derden en zonodig onder voorbehoud van het aanvoeren van gronden. De Raad wijst erop dat appellant destijds kennelijk wel in staat was om de werkbriefjes voor zijn werkloosheidsuitkering in te vullen en deze in te zenden. Wat betreft de tweede periode verwijst de Raad - met de rechtbank - naar het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts van 25 september 2008 waaruit naar voren is gekomen dat er geen verschoonbare redenen van medische aard zijn voor het te laat indienen van het bezwaarschrift, omdat appellant in de relevante periode wel in staat bleek om allerlei (behandelings)afspraken na te komen.

5.3. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde rapportages van de arbeidsdeskundige M. Dölle van 19 mei 2006, de verzekeringsartsen M. Boot van 11 juli 2007 en A.J.D. Versteeg van 4 oktober 2007, het WGBO/BOPZ Behandelplan van 23 mei 2008 en het besluit van 15 januari 2008 namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen waarin aan appellant een bijstandsuitkering is toegekend, kunnen hem niet baten. Naar het oordeel van de Raad bevestigen deze stukken dat appellant psychische klachten ervaart, dan wel dat bij hem sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Op grond van deze stukken kan volgens de Raad echter niet staande worden gehouden dat appellant onbekwaam was om in de beide, hier van belang zijnde perioden relevante (rechts)handelingen te verrichten.

5.4. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte geen afschrift van het besluit van 30 juni 2008 aan zijn vader heeft gezonden, overweegt de Raad als volgt. Vastgesteld moet worden dat appellant destijds zijn vader (nog) niet als zijn gemachtigde bij het Uwv had aangemeld. Ten tijde hier in geding woonde appellant bovendien (weer) bij zijn ouders en is het hier bedoelde besluit ook naar het ouderlijke adres gezonden. Dat de vader van appellant de post niet heeft ontvangen, c.q. niet heeft gezien omdat hij op dat moment mogelijk met vakantie was dan wel dat appellant heeft nagelaten om meergenoemd besluit aan zijn vader te overhandigen, dient naar het oordeel van de Raad voor diens risico te blijven.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat de beide overschrijdingen van de bezwaartermijn hem niet kunnen worden tegengeworpen. De rechtbank heeft de beroepen van appellant terecht ongegrond verklaard. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

KR