Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
10-02-2011
Zaaknummer
10-793 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Mede-rechthebbende van een pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/793 WWB + 10/6542 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009, 09/3902 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft A.G. de Vos, werkzaam bij de Stichting Sociaal Consulent Chinezen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden, waaronder een besluit op bezwaar van 30 november 2010. Appellante heeft vervolgens een aanvullend hoger beroepschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Voor appellante is verschenen A.G. de Vos, voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 14 oktober 2005, voor zover in dit geding van belang, heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 11 maart 1992 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante vanaf die datum mede-rechthebbende is van het pand [naam pand] te [plaatsnaam] (hierna: pand), waardoor zij wegens een te hoog vermogen geen recht heeft (gehad) op bijstand. Bij brief van 17 november 2005 heeft het College appellante meegedeeld dat er na onderzoek geen nieuwe informatie is of een andere aanleiding die moet leiden tot een andere intrekkingsdatum.

1.3. Bij besluit van 16 februari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Bij afzonderlijk besluit van 16 februari 2006 heeft het College het bezwaar tegen de brief van 17 november 2005 niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.4. Na beroep bij de rechtbank Amsterdam en hoger beroep bij de Raad, is de intrekking van de bijstand met ingang 11 maart 1992 onherroepelijk geworden. De Raad verwijst kortheidshalve naar zijn uitspraak van 23 maart 2009, LJN BI0244.

1.5. Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 93.415,26. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het College het tegen het besluit van 20 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.6. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 17 juni 2008 het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2006 voor zover dat ziet op de intrekking niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bijstand bij het besluit van het College van 14 oktober 2005 al was ingetrokken, het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor zover het de terugvordering betreft, en zich onbevoegd verklaard om een beslissing te nemen op het verzoek van appellante om opheffing van op het pand gelegd conservatoir beslag. In de overwegingen van deze uitspraak is opgenomen dat het College tevens zal moeten ingaan op het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van een op haar verzoek opgemaakt taxatierapport ten aanzien van het pand.

1.7. Ter uitvoering van de onder 1.6 genoemde uitspraak heeft het College bij besluit van 15 juli 2009 het bezwaar van appellante tegen het in het besluit van 20 oktober 2006 neergelegde terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 juli 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft het College ter zake van de hiervoor bedoelde schending veroordeeld tot vergoeding van schade ten bedrage van € 1.000,-- en voorts bepalingen gegeven ter zake van vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 juli 2009 in stand zijn gelaten.

4. Naar aanleiding van de onder 1.6 genoemde uitspraak heeft het College appellante bij brief van 27 oktober 2010 gevraagd om opgave van de kosten van het taxatierapport en van de wijze waarop in deze kosten is voorzien. Appellante heeft vervolgens een rekeningoverzicht van de taxateur aan het College gezonden. Bij brief van 15 november 2010 heeft het College appellante verzocht om overlegging van de originele factuur, de betalingsdatum en een bewijs daarvan en om aan te geven wanneer een verzoek bij het College is ingediend om vergoeding van deze kosten. Appellante heeft een afschrift van de originele nota overgelegd. Het College heeft bij besluit van 30 november 2010 de bezwaren van appellante voor zover deze zien op de weigering taxatiekosten te vergoeden ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daartegen richt zich het aanvullend hoger beroepschrift van

3 december 2010 van appellante.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak overweegt de Raad het volgende.

5.1.1. Voor zover appellante in dit geding de grondslag van het intrekkingsbesluit ter discussie heeft gesteld of heeft willen stellen, gaat de Raad daaraan voorbij. Met de onder 1.4 genoemde uitspraak van de Raad van 23 maart 2009 is de intrekking van de bijstand immers onherroepelijk geworden. Appellante kon met betrekking tot de intrekking van de bijstand over (onder meer) de in geding zijnde periode de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep aanwenden. Het in het hoger beroepschrift van appellante neergelegde standpunt, zoals ter zitting toegelicht, dat sprake is geweest van een (evident) gebrekkig intrekkingsbesluit en van een naar haar mening gebrekkige rechtsgang, met name als gevolg van de voor haar verwarrende besluitvorming door het College, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de Raad dat dit standpunt van appellante in de uitspraak van 23 maart 2009 reeds uitdrukkelijk is bezien, en dat de Raad tot de conclusie is gekomen dat appellante niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van haar bijstand en dat er geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat appellante daarbij niet in verzuim is geweest.

5.1.2. Appellante bestrijdt dat aan het besluit tot terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2005 ten grondslag kan worden gelegd dat haar recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. De Raad stelt vast dat het College in zijn besluit van 15 juli 2008 heeft overwogen dat, nu de intrekking vaststaat, alleen de hoogte van het bedrag van de terugvordering nog betwist kan worden. In dat verband heeft het College, zo begrijpt de Raad, voorts slechts vastgesteld dat het onder de gegeven omstandigheden niet anders kon besluiten dan tot volledige intrekking en terugvordering over de gehele periode en dat het College ook niet de mogelijkheid heeft gehad - omdat niet tijdig de juiste inlichtingen zijn verstrekt over het aandeel van appellante in het pand - de bijstand destijds in de vorm van een geldlening te verstrekken. Daarmee ligt aan de terugvordering als zodanig niet ten grondslag dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad is van oordeel dat het College, gelet op het intrekkingsbesluit, op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tevens bevoegd was om tot terugvordering over te gaan. Met het intrekkingsbesluit is immers vast komen te staan dat over de in geding zijnde periode aan appellante ten onrechte bijstand is verleend. De grondslag van dat intrekkingsbesluit staat, zo volgt uit 5.1.1, in dit geding niet meer ter discussie.

5.1.3. Appellante heeft aangevoerd dat niet duidelijk is geworden hoe het terugvorderingsbedrag is berekend. Zij stelt zich voorts op het standpunt dat het College heeft nagelaten de wijze van terugbetaling aan te geven. De Raad overweegt hierover het volgende. In het besluit van 20 oktober 2006 is het terugvorderingsbedrag genoemd. Bij de gedingstukken bevinden zich uitgebreide berekeningen, op maand- en op jaarbasis, aan de hand waarvan het bedrag van de terugvordering is bepaald. Het uit die berekeningen volgende totaalbedrag correspondeert met het in het besluit van 20 oktober 2006 neergelegde totaalbedrag. In dat besluit is tevens aangegeven binnen welke termijn en op welke wijze het bedrag dient te worden betaald. Deze beroepsgronden treffen dus geen doel.

5.1.4. Appellante heeft gewezen op haar medische situatie en op haar zeer slechte financiële positie die, naast het bestaan van de schuld aan de gemeente Amsterdam, wordt veroorzaakt door het ontbreken van enig inkomen sedert de intrekking van haar bijstandsuitkering, waardoor zij schulden bij haar familie heeft moeten maken. Evenals de rechtbank volgt de Raad het College in zijn standpunt dat deze omstandigheden geen dringende reden opleveren - in de zin van het door het College gehanteerde beleid - om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. In dit verband is overigens gebleken dat appellante ten tijde van het terugvorderingsbesluit niet beschikte - en ook thans niet beschikt - over middelen om tot aflossing van het teruggevorderde bedrag over te gaan. De Raad tekent daarbij aan dat, indien in die situatie verandering zou komen en het College over zou gaan tot vaststelling van een maandelijks af te lossen bedrag, appellante de bescherming geniet van de voor haar geldende beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475d en 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook in zoverre slaagt het beroep niet.

5.1.5. Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding van € 1.000,-- door het College nog niet aan haar is betaald en evenmin is verrekend, zodat de terugvordering ook daarom geen stand kan houden. De Raad overweegt hierover in de eerste plaats dat geen verband dient te worden aangenomen tussen (het bedrag van) de terugvordering en (het bedrag van) de schadevergoeding. Dat zijn twee van elkaar te onderscheiden zaken. De Raad volstaat verder met de vaststelling dat ter zitting van de Raad van de kant van het College is meegedeeld, onder vermelding van een betalingsdatum, dat het bedrag van de schadevergoeding tegelijk met de vergoeding van de proceskosten in beroep is uitbetaald.

5.1.6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde terugvorderingsbesluit terecht in stand heeft gelaten.

5.1.7. Al hetgeen appellante verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellante komt daarbij in wezen steeds terug op de - in dit geding niet meer aan de orde zijnde - grondslag(en) van de intrekking van de bijstand.

5.1.8. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.2. Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 30 november 2010 overweegt de Raad het volgende.

5.2.1. De Raad begrijpt uit het slot van het besluit van 30 november 2010 en het verhandelde ter zitting van de Raad dat het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van het taxatierapport moet worden beschouwd als een verzoek om bijzondere bijstand voor deze kosten. Uit de gedingstukken blijkt niet van een afzonderlijk, schriftelijk ingediend verzoek. Appellante stelt zich op het standpunt dat wel om vergoeding van deze kosten is gevraagd, namelijk tijdens een van de naar aanleiding van door haar ingediende bezwaarschriften gehouden hoorzittingen. Verder blijkt uit de gedingstukken ook niet dat het College eerder dan op 30 november 2010 een besluit heeft genomen tot weigering van bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten. Er ligt ook geen bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag ter zake van deze kosten. Appellante stelt in haar aanvullend beroepschrift van 3 december 2010 dat ook haar geen primair besluit over deze kosten bekend is, dat het College dus ook geen besluit op bezwaar ter zake daarvan kan nemen en dat zij overigens niet in staat is geweest, gegeven de korte termijn daarvoor, adequaat op het besluit van 30 november 2010 te reageren.

5.2.2. Gelet op de overwegingen onder 5.2.1, is de Raad van oordeel dat het besluit van 30 november 2010 moet worden aangemerkt als een primair besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor taxatiekosten en dat het beroepschrift van 3 december 2010 ter behandeling als bezwaarschrift dient te worden doorgezonden aan het College.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

RB