Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09-3941 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Recreatiewoning gekocht samen met dochter. De positieve bestanddelen van het vermogen dienen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan aannemelijk is dat zij bestaan en waaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Appellante beschikte in de hier te beoordelen periode over een vermogen dat de in haar geval van toepassing zijnde vrijlatingsgrens overschreed, zodat dit vermogen in de weg stond aan bijstandsverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3941 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2009, 08/823 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoef. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Heidebrink, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich op 1 februari 2007 bij het Centrum voor Werk en Inkomen gemeld om een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in te dienen. Na het intakegesprek op 15 maart 2007 is gebleken dat op naam van appellante een recreatiewoning aan de [ naam straat] [ naam plaats] (hierna: de woning) geregistreerd staat. Appellante en haar dochter [ W] (hierna: dochter) hebben op

29 maart 2006 hierover verklaard dat de woning op naam staat van appellante maar dat de woning eigenlijk van de dochter is omdat deze de hypotheek heeft afgesloten. In verband hiermee heeft het College appellante bij brief van 3 april 2007 verzocht aanvullende gegevens te verstrekken. Op grond van de verkregen informatie heeft het College inlichtingen ingewonnen bij de Rabobank (hierna: bank). Bij brief van 17 april 2007 heeft het College appellante verzocht nog een aantal bewijsstukken over te leggen, waaronder de eigendomsakte van de recreatiewoning en een kopie van een eventuele schuldbekentenis met betrekking tot de hypotheek van de dochter.

1.2. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat haar vermogen hoger is dan het vrij te laten vermogen. Daarbij heeft het College de waarde van de woning geschat op € 282.478,00 en de schulden van appellante vastgesteld op € 248.516,17, zodat een vermogen resteert van € 33.961,83.

1.3. Nadat appellante tegen het besluit van 25 mei 2007 bezwaar had gemaakt, heeft het College op grond van de namens appellante overgelegde informatie dat besluit ingetrokken. Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft het College de aanvraag wederom afgewezen. De schulden van appellante zijn vastgesteld op € 169.040,94 en het vermogen op € 113.437,06.

1.4. Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 januari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet aan de hand van stukken of anderszins heeft aangetoond dat de woning ten tijde hier van belang niet tot haar vermogen kan worden gerekend en dat zij daarover niet redelijkerwijs kan beschikken. De stelling dat de dochter van appellante de feitelijke bewoner van de woning is en ten behoeve van die woning een hypothecaire lening is aangegaan, maar dat appellante, als gevolg van een op basis van onjuiste voorlichting gemaakte keuze, als eigenaar staat geregistreerd, acht de rechtbank ontoereikend. De omstandigheid dat de woning volgens de Belastingdienst in het kader van de aangifte successierecht geen vrije waarde heeft, doet naar het oordeel van de rechtbank er niet aan af dat de woning op naam van appellante is geregistreerd en een bepaalde vermogenswaarde vertegenwoordigt. De conclusie van de rechtbank is dat appellante ten tijde van het indienen van de aanvraag de beschikking had over een vermogen dat de voor haar geldende vrijlatingsgrens als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WWB te boven ging.

3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 februari 2007 tot en met 4 oktober 2007.

4.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen in geschil is of appellante in de hier te beoordelen periode beschikte over een in aanmerking te nemen vermogen dat in de weg staat aan het toekennen van algemene bijstand.

4.3. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB worden, voor zover hier van belang, tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.4. Artikel 34, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

4.5. Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid. Artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens voor appellante is:

€ 5.245,--.

4.6. Zoals uit de notariële akte van levering van 13 maart 2002 blijkt, hebben appellante en haar - [ in] 2002 overleden - echtgenoot op 13 september 2001 de woning - in de akte omschreven als het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de recreatiewoning met grond, nummer 24, gelegen in het [naam project] [ naam plaats] - gekocht voor een door hen gestorte koopprijs van € 282.478,18, en is de woning op dezelfde datum aan hen geleverd.

4.7. Indien, zoals in het geval van appellante, een onroerende zaak in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staat genoteerd is volgens vaste rechtspraak van de Raad de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Anders dan appellante veronderstelt, geldt deze vooronderstelling onverkort in het kader van een aanvraag om bijstand waarbij aan het college melding is gemaakt van de tenaamstelling van een onroerende zaak.

4.8. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de woning in de hier te beoordelen periode geen bestanddeel vormde van haar vermogen. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat het feit dat de woning was bestemd voor de dochter en dat appellante steeds elders heeft gewoond niet van belang is voor de beantwoording van de vraag of zij over de woning heeft beschikt. Dat de woning in het kader van een beschermingsconstructie ten behoeve van de dochter op grond van ondeskundige adviezen op naam van appellante en haar echtgenoot is gesteld doet evenmin afbreuk aan de vooronderstelling dat de woning in de hier te beoordelen periode tot het vermogen van appellante behoorde. De omstandigheid dat de Belastingdienst op basis van een hernieuwde successieaangifte de waarde van de woning niet heeft beschouwd als positief bestanddeel van het huwelijksvermogen van appellante en haar echtgenoot is ontoereikend voor de conclusie dat die woning voor de toepassing van de WWB niet tot haar vermogen behoorde. De stelling dat niet appellante en haar echtgenoot, maar de bank of de dochter de woning heeft betaald, is niet met bewijsstukken ondersteund. Bovendien is deze stelling niet te rijmen met de vermelding op de akte van levering dat appellante en haar echtgenoot de koopprijs door storting op de derdenrekening van de notaris hebben betaald. De omstandigheid dat een ander dan appellante de woning heeft betaald leidt overigens niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat de woning niet tot haar vermogen behoort.

4.9. Met betrekking tot het betoog van appellante dat het College op grond van de hypothecaire akte de hypothecaire schuld ten onrechte niet in mindering heeft gebracht op de waarde van de woning overweegt de Raad het volgende.

4.10. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan aannemelijk is dat zij bestaan en waaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.11. De Raad stelt vast dat de dochter [ in] 2002 met de bank een overeenkomst van geldlening heeft gesloten. Uit hoofde van deze geldlening, waarop niet behoeft te worden afgelost, had de bank een vordering op de dochter van € 256.400,--. Dat bedrag is destijds overigens niet aan de dochter uitgekeerd, maar tegen een depotrente gestort op een depotrekening van de bank. De Raad stelt vast dat appellante in de hier te beoordelen periode geen schuld had aan de bank in verband met de aankoop van de woning. De omstandigheid dat appellante en haar echtgenoot [ in] 2002 aan de Rabobank tot een bedrag van eveneens € 256.400,-- hypotheek hebben verleend op de woning tot zekerheid van al hetgeen de bank van de dochter heeft te vorderen uit hoofde van onder meer de verstrekte geldlening maakt dat niet anders. Uit het feit dat bij de levering van de woning op 30 november 2009 in overeenstemming met de hypotheekakte op de netto-opbrengst van de woning de uit hoofde van de geldlening van de dochter verschuldigde bedragen in mindering zijn gebracht kan evenmin worden afgeleid dat de bank een vordering op appellante had.

4.12. Gezien het voorgaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellante in de hier te beoordelen periode beschikte over een vermogen dat de in haar geval van toepassing zijnde vrijlatingsgrens overschreed, zodat dit vermogen in de weg stond aan bijstandsverlening.

4.13. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet op dit oordeel is er geen ruimte voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

IJ