Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09-4904 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst in verband met beëindiging ambtelijk dienstverband. Aan appellant is een maandelijkse uitkering toegekend “die gelijk is aan zijn FPU-uitkering (70%)”. De Raad is van oordeel dat appellant op grond van de toelichting van de korpschef had kunnen en moeten begrijpen dat hem geen nettogarantie werd aangeboden, maar een uitkering overeenkomstig de FPU-regeling. Ook was voldoende duidelijk dat de genoemde nettobedragen waren afgeleid van de toen geldende wet- en regelgeving en dat zij uitsluitend als rekenvoorbeeld waren bedoeld. De door de korpsbeheerder aan de vaststellingsovereenkomst gegeven uitleg is dus de juiste. Dit betekent dat er ook voor de toekomst geen aanleiding bestond om van de eerdere besluitvorming over de uitkering terug te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4904 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 augustus 2009, 08/3774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant-Noord (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 27 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. S.M.M. Teklenburg, advocaat te Eindhoven. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kooren, werkzaam bij de politieregio Brabant-Noord.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij de politieregio Brabant-Noord. Omdat voor hem geen passende werkzaamheden meer beschikbaar waren, zijn partijen met elkaar in onder-handeling getreden. Op 5 april 2006 hebben zij een zogenoemde vaststellingsovereen-komst gesloten. Artikel 1 van deze overeenkomst houdt in dat appellant met ingang van 1 april 2006 is ontheven van zijn verplichtingen om werkzaamheden voor het korps te verrichten. Ingevolge artikel 2 ontvangt hij met ingang van 1 januari 2007, in plaats van zijn bezoldiging, maandelijks een uitkering die gelijk is aan zijn FPU-uitkering (70%). In artikel 5 is bepaald dat hij per 1 april 2012 gebruik maakt van de FPU-regeling, of zoveel eerder of later indien de regeling wijzigt.

1.2. Tussen partijen is discussie ontstaan over de vraag of de korpsbeheerder vanaf januari 2007 een juiste toepassing aan de vaststellingsovereenkomst heeft gegeven. Bij brieven van 28 februari 2008 en 26 maart 2008 heeft de raadsman van appellant de korpsbeheerder verzocht om, ter uitvoering van deze overeenkomst, aan appellant met terugwerkende kracht een bedrag van € 2.177,74 per maand te betalen en dit bedrag vanaf januari 2008 te indexeren.

1.3. Bij besluit van 2 april 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 september 2008 (hierna: bestreden besluit), heeft de korpsbeheerder dit verzoek afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De verzoeken van 28 februari en 26 maart 2008 dienen te worden aangemerkt als verzoek om terug te komen van eerdere - in rechte onaantastbaar geworden - besluiten van de korpsbeheerder omtrent de hoogte van de uitkering waarop appellant met ingang van 1 januari 2007 aanspraak heeft. Naar vaste rechtspraak betekent dit in een geval als hier aan de orde, waarin een duuraanspraak in het geding is, dat bij de toetsing door de bestuursrechter een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de rechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandig-heden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuurs-orgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.2. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die appellant niet reeds had kunnen aanvoeren in bezwaar en (hoger) beroep tegen de oorspronkelijke besluit-vorming. Voor de periode voorafgaande aan het verzoek houdt de afwijzing dus stand.

3.3. Wat betreft de periode na het verzoek, spitst het geschil zich toe op de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak heeft op een maandelijks netto aan hem uit te keren bedrag van (per januari 2007) € 2.177,74. De korpsbeheerder is van mening dat geen vast bedrag is overeengekomen, maar dat is afgesproken om tot 1 april 2012, wanneer appellant met FPU gaat, een uitkering te betalen alsof de FPU regeling reeds op appellant van toepassing was. Dit betekent een bruto-uitkering, gebaseerd op 70% van de brutobezoldiging, waarop de voorgeschreven inhoudingen moeten plaatsvinden. In de voorafgaande onderhandelingen is wel een netto-bedrag van € 2.177,74 genoemd, maar enkel om appellant enig inzicht te geven in wat de overeenkomst concreet voor hem zou betekenen. Dit bedrag was berekend op grond van de toen geldende wetgeving. De latere wijzigingen in die wetgeving dienen in het netto uit te betalen bedrag door te werken. Van een gegarandeerd nettobedrag is geen sprake, aldus de korpsbeheerder.

3.4. De Raad stelt voorop dat de vaststellingsovereenkomst de neerslag vormt van afspraken die tussen partijen zijn gemaakt over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband. Aan deze ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid. Dit beginsel brengt voor het bestuursorgaan met zich dat het - behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen - bij zijn besluitvorming de gemaakte afspraken in acht dient te nemen (CRvB 4 november 2004, LJN AR6107 en TAR 2005, 8).

3.5. De bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst - waarvan de belangrijkste onder 1.1 zijn weergegeven - bieden geen aanknopingspunten voor de door appellant bepleite uitleg. Aan appellant is een maandelijkse uitkering toegekend “die gelijk is aan zijn FPU-uitkering (70%)”. Over een vast bedrag wordt niet gesproken, laat staan dat zou zijn gegarandeerd dat appellant dit vaste bedrag netto in handen krijgt. Bij het ontbreken van zo'n - uitdrukkelijke - garantie zullen de zojuist aangehaalde bewoordingen in het algemeen moeten worden begrepen in de door de korpsbeheerder bedoelde zin. Anders dan namens appellant ter zitting is gesteld, kan ook uit de regeling van de bijverdiensten in artikel 3 van de overeenkomst niet het tegendeel worden afgeleid.

3.6. Naar appellant terecht heeft aangevoerd, komt het bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde, niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (CRvB 22 mei 2008, LJN BD2813).

3.7. In dit verband beroept appellant zich vooral op een interne notitie van de personeels-afdeling van 17 november 2005, die als grondslag voor de onderhandelingen heeft gediend. In deze notitie zijn twee alternatieven uitgewerkt: een wachtgeldregeling en een FPU-regeling. Bij dit laatste alternatief wordt gesproken van “doorbetaling salaris met een netto garantie tot 70% FPU” en enkele malen van een “netto FPU-garantie” ten bedrage van € 2.177,74. Hoewel de notitie tevens een verwijzing naar “huidige wetgeving” behelst, kan de Raad zich voorstellen dat deze aanduidingen appellant aanvankelijk op het verkeerde been hebben gezet. Van misverstand kon echter redelijkerwijs niet langer sprake zijn toen de plaatsvervangend korpschef, in antwoord op enkele vragen van de raadsman, bij brief van 14 december 2005 uitdrukkelijk had aangegeven dat het voorstel niet inhoudt dat appellant 70% van zijn huidige netto- inkomen zou gaan ontvangen, maar dat appellant een regeling krijgt aangeboden die overeen komt met de FPU-regeling. In het voorstel is louter het huidige nettosalaris afgezet tegen het te verwachten nettosalaris bij enerzijds de wachtgeldregeling en anderzijds de FPU-regeling. Op deze wijze wordt het voor appellant inzichtelijk wat de regeling concreet en netto voor hem betekent, aldus de brief. De Raad is van oordeel dat appellant op grond van deze toelichting had kunnen en moeten begrijpen dat hem geen nettogarantie werd aangeboden, maar een uitkering overeenkomstig de FPU-regeling. Ook was voldoende duidelijk dat de genoemde nettobedragen waren afgeleid van de toen geldende wet en regelgeving en dat zij uitsluitend als rekenvoorbeeld waren bedoeld.

3.8. Anders dan namens appellant is betoogd, doet aan het vorenstaande niet af dat in de brief van 14 december 2005 tevens is aangegeven dat de bijverdiensten het verschil tussen het huidige netto-inkomen en het voorgestelde netto-inkomen niet mogen overstijgen en dat dit concreet betekent dat zij tot € 421,34 zullen worden gemaximaliseerd. Deze passage kon, in samenhang met de reeds onder 3.7 besproken uiteenzettingen over de strekking van het aanbod, redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat het ook hier ging om een rekenvoorbeeld, gebaseerd op de toenmalige wet en regelgeving en niet om een garantie in welke vorm dan ook.

3.9. In de door appellant overgelegde brief van 4 januari 2006 van zijn raadsman aan de plaatsvervangend korpschef ziet de Raad evenmin grond voor een ander oordeel. In die brief stelt de raadsman zelf dat sprake zal zijn van een uitkering die overeenkomt met de uitkering op grond van de FPU-regeling. De toevoeging dat dit “zou leiden tot een maandbedrag van € 2.177,74, waarin het vakantiegeld en de dertiende maand dan verdisconteerd zouden zijn” kon - mede bezien in het licht van de brief van 14 december 2005 en hetgeen daaromtrent reeds onder 3.7 en 3.8 is overwogen - niet bewerkstelligen dat de uitkering op een nettobedrag van € 2.177,74 werd gefixeerd.

3.10. De door de korpsbeheerder aan de vaststellingsovereenkomst gegeven uitleg is dus de juiste. Dit betekent dat er ook voor de toekomst geen aanleiding bestond om van de eerdere besluitvorming over de uitkering terug te komen.

3.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD