Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3493

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09-4159 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op IVA-uitkering omdat betrokkene weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De bezwaarverzekeringsarts heeft overtuigend uiteengezet dat het bestreden besluit voldoende is voorbereid en dat er op het moment van de beoordeling geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen, zodat een nadere vraagstelling aan behandelaars achterwege kon blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4159 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 juni 2009, 08/1360

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 4 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens betrokkene heeft mr. S.N. Ketting, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend. Nadien heeft betrokkene informatie van de longarts prof. dr. Drent van 1 december 2009 ingediend. Hierop is op 31 maart 2010 door bezwaarverzekeringsarts J. Jonker gereageerd. Op 30 augustus 2010 heeft betrokkene informatie van de behandelend longarts M. van Vliet van 17 mei 2010 aan de Raad gezonden, waarop op 2 september 2010 door Jonker is gereageerd.

Het geding is op 17 september 2010 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer de Raad. Het Uwv was vertegenwoordigd door H.A.T. Laaracker en betrokkene door mr. Ketting. Ter zitting is de behandeling van het geding geschorst. Na heropening van het onderzoek heeft bezwaarverzekeringsarts Jonker op 29 september 2009 een medische rapportage uitgebracht.

Het geding is op 1 oktober 2010 opnieuw ter zitting van de Raad, ditmaal van een enkelvoudige kamer aan de orde gesteld, partijen zijn niet verschenen. Het geding is ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. Deze heeft de zaak op 6 januari 2011 verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het geding is wederom behandeld ter zitting van de Raad op 7 januari 2011. Namens het Uwv is verschenen mr. P.C.P. Veldman en betrokkene was vertegenwoordigd door

mr. Ketting.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van het Uwv van 7 juli 2008 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (hierna: het bestreden besluit) waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene ongewijzigd is vastgesteld op 80 tot 100% en waarbij is bepaald dat er geen recht op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) is. Het bestreden besluit berust op het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er bij betrokkene weliswaar sprake is van beperkingen ten gevolge van chronische lage rugklachten, sarcoïdose en stemmingsklachten doch dat de behandeling nog niet afgelopen is en dat verbetering niet is uitgesloten.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank overwoog dat in de beschikbare medische informatie onvoldoende steun te vinden is voor het standpunt dat er kans op verbetering is dan wel dat betrokkene een meer dan geringe kans op herstel heeft. De rechtbank acht de vraag of er verbetering van de belastbaarheid te verwachten valt niet overduidelijk te beantwoorden en is van oordeel dat de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts op een onvoldoende deugdelijke afweging van de relevante feiten en omstandigheden berust.

3.1. Het Uwv heeft in hoger beroep gesteld het niet eens te zijn met de overweging van de rechtbank dat de vraag of verbetering van de fysieke/psychische belastbaarheid te verwachten is, niet overduidelijk valt te beantwoorden. Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft het Uwv een rapport van bezwaarverzekeringsarts Jonker van 6 juli 2009 ingediend.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de medische informatie en het ziektebeeld als zijn opvatting naar voren gebracht dat de rechtbank op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit een daadkrachtige motivering ontbeerde. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft betrokkene op 25 januari 2010 informatie van de longarts Drent van 1 december 2009 aan de Raad gezonden.

3.3. Op de in 3.2 vermelde informatie is gereageerd door bezwaarverzekeringsarts Jonker in een rapportage van 31 maart 2010 waarin zij stelt dat het gaat “over de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, zoals we die in maart 2008 konden inschatten, gezien de toen aanwezige gegevens.” Tevens heeft Jonker op 2 september 2010 in reactie op de informatie van de behandelend longarts Van Vliet van 17 mei 2010 gesteld dat deze informatie geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt te wijzigen. Na de behandeling ter zitting van de Raad op 17 september 2010 heeft Jonker gerapporteerd naar aanleiding van de ter zitting besproken vraag of er op een andere datum, na voorjaar 2008, recht was ontstaan op een IVA-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts kon deze vraag in haar rapport van 29 september 2009 niet beantwoorden omdat zij teveel informatie mist.

3.4. Met de door partijen ingenomen standpunten ligt de vraag voor of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat betrokkene op 20 maart 2008 - blijkens het verhandelde ter zitting de datum in geding bij het bestreden besluit - niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de IVA, omdat hij weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) heeft de Raad overwogen dat in geval bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waarin is bepaald dat een verzekerde op een bepaalde datum niet duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat door de bezwaarverzekeringsarts ook ten aanzien van de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een heroverweging dient plaats te vinden. Dit brengt met zich dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn, beoordeelt of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.

4.2. In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad overwogen dat als een verzekerde in beroep komt tegen een besluit, waarbij op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van zijn arbeidsongeschiktheid, het aan verzekerde is om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Hij zal zich daartoe doorgaans bedienen van medische informatie die hij niet in bezwaar heeft kunnen inbrengen en die een nieuw licht werpt op de gezondheidstoestand. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum die in geding is. Daarbij is niet van belang dat de bezwaarverzekeringsarts toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn. Ter beantwoording is de vraag of met de gegevens die bekend zijn geworden over de gezondheidstoestand van verzekerde op de datum in geding, de verwachting die behandelend artsen op dat moment hadden van een behandeling die zij hadden ingezet dan wel de redenen die zij toen hadden om een mogelijke behandeling achterwege te laten, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven.

4.3. De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts Jonker (in het rapport van 4 juli 2008) de duurzaamheid van de vastgestelde arbeidsbeperkingen heeft beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader, genaamd "De beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen". De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant ingedeeld in stap 2a van dit schema. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts die in de in hoger beroep overgelegde rapportage van 6 juli 2009 uiteen heeft gezet dat een IVA-uitkering alleen mag worden toegekend als overduidelijk is dat er geen verbetering van de belastbaarheid zal intreden. Jonker stelt dat sarcoïdose (welke diagnose eind 2007 bij appellant is vastgesteld) een redelijke prognose heeft. In de rapportage van 31 maart 2010 heeft Jonker nogmaals uiteengezet dat de beoordeling is gericht op de situatie in maart 2008 en de vraag hoe de prognose toen moest worden ingeschat. Kort daarvoor was de diagnose sarcoïdose gesteld, de behandeling was pas begonnen en uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat een meerderheid der patiënten een gunstige prognose heeft. Gelet hierop kon de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad haar opvatting handhaven dat de arbeidsmogelijkheden na maart 2008 mogelijk zouden toenemen.

4.4. De Raad is van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Jonker overtuigend uiteen heeft gezet dat het bestreden besluit voldoende is voorbereid en dat er op het moment van de beoordeling (maart 2008) geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen, zodat een nadere vraagstelling aan behandelaars achterwege kon blijven. Dit spreekt te meer dat eerst uit de in rubriek I vermelde brief van Drent van 1 december 2009 valt af te leiden dat de sarco?dose zich bij betrokkene inmiddels tot een ernstiger vorm had ontwikkeld dan op de datum in geding op basis van de toen bekende medische informatie redelijkerwijs kon worden aangenomen.

4.5. Uit het overwogene in 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Het beroep tegen het bestreden besluit dient ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011 .

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Mostert.

JL