Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3471

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09-2608 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indeling in het jaarteam van groep 6 als toegevoegd leerkracht om op vaste dagen les te geven in één van de groepen 6. Handelwijze niet onredelijk. De Stichting is vrij om de organisatie naar eigen inzicht in te richten. Niet is komen vast te staan dat appellante wegens medische redenen niet in staat kon worden geacht om de taak van toegevoegd leerkracht te verrichten. De noodzaak van een speciale stoel en voetenbank staat niet aan de vervulling van de taak als toegevoegd leerkracht in de weg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2608 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2009, 08/198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Stichting Openbaar Primair Onderwijs Oost-Watergraafsmeer en Zeeburg, thans: de Stichting Samen tussen Amstel en IJ (hierna: stichting)

Datum uitspraak: 27 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat te Mijdrecht en [G.], werkzaam bij de Stichting.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is aangesteld als leerkracht basisonderwijs op de [naam school] in het stadsdeel [stadsdeel] te [plaatsnaam]. Op 6 juni 2007 is aan appellante mondeling meegedeeld dat zij in het schooljaar 2007-2008 is ingedeeld in het jaarteam van groep 6. Het gaat daarbij om een jaargroep van 70 kinderen, verdeeld over drie groepen 6. Appellante zal als toegevoegd leerkracht op vaste dagen lesgeven in één van de groepen 6. Daarnaast zal zij extra hulp en ondersteuning bieden aan individuele en kleine groepjes leerlingen. Appellante zal niet in andere groepen worden ingezet.

1.2. Bij brief van 20 augustus 2007 heeft de stichting op verzoek van appellante het besluit van 6 juni 2007 bevestigd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

18 december 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt vast, en ook niet in geschil is, dat de aan appellante opgedragen werkzaamheden vallen onder de taakomschrijving als bedoeld in de bijlage VII.B bij de CAO Primair Onderwijs.

3.2. Aan het besluit om appellante voor het schooljaar 2007-2008 als toegevoegd leerkracht voor de drie groepen 6 aan te wijzen, heeft de stichting ten grondslag gelegd dat er voor de school meer leerkrachten zijn dan beschikbare groepen. In die situatie is het blijkens het bestreden besluit onvermijdelijk dat een besluit moet worden genomen over de taakverdeling binnen een team van leerkrachten. Bij die besluitvorming heeft de stichting betrokken dat juist appellante, gelet op haar kwaliteiten en ervaring, bij uitstek geschikt is voor de taak van toegevoegd leerkracht. Naar het oordeel van de Raad is er geen reden om deze handelwijze onredelijk te achten. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 12 november 2009, LJN BK3913) is de stichting vrij om de organisatie naar eigen inzicht in te richten.

3.3. Appellante heeft gesteld dat de stichting tot dit besluit is gekomen vanwege haar lidmaatschap van de medezeggenschapsraad en haar houding ten aanzien van adaptief onderwijs. De stichting heeft toegelicht dat bij een formatiebesluit te allen tijde de vraag voorop staat op welke wijze het onderwijs kan worden geoptimaliseerd, rekening houdend met de voorkeuren, ervaringen en beschikbaarheid van de leerkrachten. De Raad ziet geen reden voor het oordeel dat dit bij de taakverdeling voor het schooljaar 2007-2008 anders is geweest. Dat de door appellante genoemde redenen bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld, is de Raad niet gebleken.

3.4. Naar het oordeel van de Raad is evenmin komen vast te staan dat appellante wegens medische redenen niet in staat kon worden geacht om de taak van toegevoegd leerkracht te verrichten. Appellante heeft gewezen op het deskundigenoordeel van het Uwv, waaruit blijkt dat de functie van invalkracht niet geschikt is voor appellante. Anders dan appellante is de Raad echter van oordeel dat de taakstelling voor het schooljaar 2007-2008 niet die van invalkracht is, nu appellante op vaste dagen aan vaste groepen 6 les zal geven. Bovendien is aan appellante toegezegd dat zij niet in andere groepen zal worden ingezet. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv bij het deskundigenoordeel dan ook van een onjuiste functie uitgegaan, zodat de stichting bij de taakverdeling aan dat oordeel voorbij kon gaan.

3.5. Voorts is de Raad van oordeel dat ook de noodzaak van een speciale stoel en voetenbank niet in de weg staat aan de vervulling van de taak als toegevoegd leerkracht. De stichting heeft immers te kennen gegeven dat de conciërge van de school er voor zou zorgen dat appellantes stoel en voetenbank op de juiste dag in het juiste lokaal aanwezig zouden zijn.

3.6. Ten slotte heeft appellante gesteld dat de extra groep 3 aan haar had moeten worden toegewezen in plaats van aan een leerkracht van bureau Inzet. Hoewel aan appellante moet worden toegegeven dat de reden voor de keuze voor een leerkracht van Bureau Inzet voor de extra groep 3 niet volledig duidelijk is geworden, laat dit onverlet dat de stichting, gelet op voornoemde vrijheid bij de inrichting van haar organisatie en de grote ervaring en kwaliteiten van appellante, in redelijkheid heeft kunnen beslissen appellante toch niet in te delen als leerkracht voor de extra groep 3 maar als toegevoegd leerkracht aan te wijzen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) B. Bekkers.

HD