Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
09-1630 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandaanvraag afgewezen en buiten behandeling gesteld. Geen duidelijkheid over het vermogen in het buitenland. Recht op bijstand is niet vast te stellen. Het College heeft appellante terecht niet als duurzaam gescheiden levend (...) aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de echtgenoot gedurende een periode van twee jaar gedetineerd is, brengt niet een door één of beide echtgenoten gewilde verbreking van de echtelijke samenleving met zich die een duurzaam karakter heeft. De echtgenoten hebben immers juist niet gekozen voor een verbreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1630 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2009, 08/3168 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Spil, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 22 juni 2010 heeft mr. R.S. Pot, advocaat en kantoorgenoot van mr. Spil, de Raad bericht dat hij de behandeling van de zaak heeft overgenomen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rijser, als waarnemer voor haar kantoorgenoot mr. Pot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is gehuwd met [naam echtgenoot] (hierna: de man). De man is op 11 juli 2007 te Marokko aangehouden en nadien in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

1.2. Appellante heeft op 4 september 2007 en 15 oktober 2007 aanvragen gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College heeft deze aanvragen bij besluiten van 11 oktober 2007 en 14 november 2007 afgewezen respectievelijk buiten behandeling gesteld in verband met - kort gezegd - het geen duidelijkheid verschaffen of documenten overleggen inzake vermogen in het buitenland. Aanwijzingen omtrent dit vermogen waren bij een huisbezoek aan het licht gekomen. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Op 15 november 2007 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 21 december 2007 ook buiten behandeling gesteld.

1.4. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2007 met wijziging van de grondslag ongegrond verklaard en aan appellante een vergoeding van kosten van de bezwaarprocedure toegekend tot een bedrag van € 644,--. Hiertoe heeft het College overwogen dat appellante niet kan worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend van de man, zodat met diens middelen rekening moet worden gehouden. Nu geen recente afschriften zijn verstrekt van de bankrekening die de man aanhoudt in Marokko en evenmin gegevens zijn verstrekt over de waarde van het onroerend goed in Marokko waarvan de man mede-eigenaar is, is het recht op bijstand van appellante niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij wel duurzaam gescheiden leeft van haar man en dat zij niet in staat is om gegevens omtrent het vermogen van haar man te verschaffen, en dat voor zover die gegevens wel verschaft zijn, daaruit blijkt dat zij recht op bijstand heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad loopt in een geval waarin een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling is gesteld en na bezwaar bij het besluit op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag wordt beslist, de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het besluit op bezwaar. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 15 november 2007 tot en met 3 juli 2008.

4.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 3 van de WWB kan ook een door geen van beide echtgenoten gewilde toestand, die voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt en waarvan redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de echtelijke samenleving kan worden hervat, worden aangemerkt als een situatie van duurzaam gescheiden leven. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de echtgenoot voor langere tijd in een psychiatrische inrichting is opgenomen en geen positieve wijziging in diens geestestoestand is te verwachten (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, pag. 32). De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 9 november 2010, LJN BO3524.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College appellante terecht niet als duurzaam gescheiden levend in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de echtgenoot gedurende een periode van twee jaar gedetineerd is, brengt niet een door één of beide echtgenoten gewilde verbreking van de echtelijke samenleving met zich die een duurzaam karakter heeft. De echtgenoten hebben immers juist niet gekozen voor een verbreking. Dit volgt reeds uit de omstandigheid dat appellante de man is gaan bezoeken in Marokko en dat zij hun gezamenlijke bankrekeningen in Nederland en Marokko zijn blijven gebruiken. Op grond van de duur van de detentie hoefde niet verwacht te worden dat de samenleving niet hervat zou kunnen worden. Dat is inmiddels ook gebleken, omdat de samenleving na de detentie is hervat. In zoverre faalt het hoger beroep.

4.4. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat het College terecht bij de bepaling van het recht op bijstand tijdens de detentie appellante als gehuwd met de man heeft aangemerkt. Vervolgens is de vraag of, en zo ja, in hoeverre met de middelen van de man rekening moest worden gehouden. Daarbij kan in het midden blijven of met betrekking tot de gezamenlijke rekening in Marokko voldoende gegevens zijn verschaft in het verband met het volgende.

4.5. Vaststaat dat de man in Marokko als (mede-)eigenaar is ingeschreven van een onroerend goed. Appellante heeft aangevoerd dat zij op grond van het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht zelf niet over dit onroerend goed kon beschikken. Dat is echter niet van belang, omdat, nu appellante en de man gehuwd waren en niet duurzaam gescheiden leefden, bij bijstandsverlening, ook aan één van hen, met de middelen van beiden rekening gehouden moest worden. Voorts heeft appellante op geen enkele manier onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de man niet kon beschikken over dit onroerend goed ten gevolge van de detentie. Die stelling wordt reeds tegengesproken door de omstandigheid dat hij tijdens zijn detentie wel opdracht heeft kunnen geven tot taxatie van dit onroerend goed. Dat de man om andere redenen niet over (zijn aandeel in) dit onroerend goed kon beschikken is evenmin aannemelijk gemaakt. In zoverre faalt het hoger beroep ook.

4.6. Gelet op het voorgaande was appellante op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB gehouden juiste inlichtingen te verschaffen over de waarde van dit onroerend goed. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het door appellante overgelegde taxatierapport de waarde van dit onroerend goed niet kan worden vastgesteld. Het rapport vermeldt een taxatie van de kosten die gemaakt zijn om de woning te bouwen. Het vermeld echter niet de peildatum van die kosten, de waarde van de grond waarop de woning is gebouwd en de actuele waarde van de woning in het economisch verkeer. Het betoog dat met de bouwkosten de actuele waarde bedoeld wordt en er sprake is van een ongelukkige woordkeus van de taxateur, is op geen enkele wijze ondersteund en is in strijd met de ondubbelzinnige bewoordingen van de taxatie en van de aan de taxateur verstrekte opdracht. Aldus faalt ook het betoog dat appellante volledige en juiste informatie heeft verschaft.

4.7. De conclusie is daarom dat appellante is tekortgeschoten in de nakoming van haar inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Dit is naar vaste rechtspraak van de Raad voldoende grond om een aanvraag om bijstand te weigeren. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

RB