Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
10-274 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. De kosten van bewindvoering kunnen worden voldaan uit het vermogen van appellant. Het gevoerde beleid gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Aangezien een wezenlijk verschil bestaat tussen personen die niet over spaargeld beschikken en personen, zoals appellant, die wel over spaargeld beschikken, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/78
RSV 2011/131

Uitspraak

10/274 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 december 2009, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.L.J. Reijnen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.G. Kuijpers, werkzaam bij de gemeente Roerdalen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Namens appellant heeft zijn curator [D.] op 19 juni 2008 een verzoek ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van bewindvoering over de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 december 2008 ten bedrage van € 1.035,24.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag is een onderzoek ingesteld naar de draagkracht van appellant. Vastgesteld is dat appellant beschikt over een betaalrekening met daarop een positief saldo van € 306,07 (op 20 mei 2008) en een spaarrekening met een tegoed van € 2.686,66 (op 5 mei 2008).

1.2. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het College op deze aanvraag afwijzend beslist op de grond dat het vermogen van appellant hoger is dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Bij besluit op bezwaar van 17 februari 2009 heeft het College het besluit van 10 juli 2008 - met verbetering van de motivering - gehandhaafd. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat appellant ten tijde hier van belang beschikte over een vermogen van in totaal € 2.992,73 en dat de voor appellant geldende bijstandsnorm, inclusief de gemeentelijke toeslag van 5% en vakantietoeslag, € 693,16 per maand bedraagt, zodat de kosten van bewindvoering kunnen worden voldaan uit het vermogen van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

17 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de WWB wordt onder meer niet als vermogen in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid, en spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of die kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het College ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft.

4.4. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan zijn.

4.5. Het College heeft in het beleid met betrekking tot de uitoefening van de hem in artikel 35, eerste lid, van de WWB toegekende bevoegdheid, opgenomen in de Nota bijzondere bijstand 2005, bepaald dat het aanwezige vermogen volledig dient te worden aangewend voor de betaling van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, met dien verstande dat bij de vermogensvaststelling een bedrag, gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, buiten beschouwing wordt gelaten.

4.6. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, gelet op de aan het College ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB toekomende beoordelingsruimte inzake het in aanmerking te nemen vermogen, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De omstandigheid dat, zoals appellant heeft aangevoerd, ernstige rechtsongelijkheid bestaat, omdat andere gemeenten een minder stringente vermogenstoets hanteren, kan niet tot een ander oordeel leiden. De WWB voorziet immers in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven. Aangezien een wezenlijk verschil bestaat tussen personen die niet over spaargeld beschikken en personen, zoals appellant, die wel over spaargeld beschikken, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook in dat opzicht niet slagen.

4.6. De Raad stelt vast dat appellant de vermogensvaststelling, zoals hiervoor weergegeven in 1.2, niet betwist en dat het College bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleid.

4.7. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken.

4.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) J.F.Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

HD