Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
08-7293 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging bijstand voor de duur van 1 maand met 30%. Niet voldaan aan re-integratieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7293 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 november 2008, 08/1935 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Moes, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. den Ottelander, werkzaam bij de gemeente Halderberge.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt met enkele onderbrekingen vanaf 24 februari 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

Op appellant zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB van toepassing, waaronder de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te accepteren en de verplichting om als werkzoekende ingeschreven te staan bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Bij besluit van 24 april 2007 is aan appellant tevens de verplichting opgelegd deel te nemen aan een traject Work First bij Accessio (groenvoorziening).

1.2. In het kader van een gehouden re-integratieonderzoek is gebleken dat appellant in de periode van 1 juli 2007 tot 5 oktober 2007 niet stond ingeschreven als werkzoekende bij het CWI. Verder is gebleken dat appellant niet naar vermogen heeft geprobeerd algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Appellant heeft geen bewijs van sollicitaties kunnen leveren. Ten slotte heeft het College geconstateerd dat appellant nalatig is geweest door het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling. Appellant is zonder zich af te melden niet verschenen op afspraken bij Work First op 24 april 2007 en 1 oktober 2007.

1.3. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College wegens de onder 1.2 genoemde drie gedragingen van appellant de bijstand met ingang van 1 november 2007 voor de duur van 1 maand verlaagd met 30% (de hoogste maatregel behorend bij de laatstgenoemde van de drie maatregelwaardige gedragingen).

1.4. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 maart 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De voor dit geding relevante bepalingen van de WWB en de Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2007 van de gemeente Halderberge (hierna: verordening) zijn weergegeven in de aangevallen uitspraak. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

4.2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 2 van de verordening gehouden was ter zake van de in geding zijnde gedragingen een maatregel op te leggen, dat in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gevonden voor het standpunt dat het College van het in de verordening neergelegde standaardregime had moeten afwijken, en dat evenmin is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van de maatregel af te zien.

De rechtbank heeft haar oordeel, waaronder begrepen een oordeel over de verwijtbaarheid van de gedragingen, uitgebreid gemotiveerd. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel berust. Appellant heeft daartegenover in hoger beroep slechts gewezen op de eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden en daarbij niets nieuws aangevoerd.

4.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.J. de Mooij en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB