Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/5656 AW en 09/6020 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BL0556, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim bestaande uit diefstal uit een supermarkt. Plichtsverzuim kan betrokkene worden toe gerekend. Gezien aard en ernst van het verzuim is straf van ontslag passend. Aan politieambtenaren worden hoge eisen gesteld. Betrokkene heeft het aanzien van de politie beschadigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/119
TAR 2011/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5656 AW en 09/6020 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2009, 08/5139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 27 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 28 oktober 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.H.M. Nijhuis, advocaat te Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijmond. Vanaf 1 december 2005 verrichtte zij geen werkzaamheden meer wegens ziekte.

1.2. Nadat appellant zijn voornemen daartoe aan betrokkene had kenbaar gemaakt en deze daarop haar zienswijze had gegeven, heeft appellant betrokkene bij besluit van 5 juni 2008 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij besluit van 3 november 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant dit ontslagbesluit na bezwaar van betrokkene gehandhaafd.

1.3. Het ontslag berust op het volgende plichtsverzuim van betrokkene:

1.Op 4 november 2007 is een bestuurder van een personenauto aangehouden; in de uitgeademde lucht van deze persoon bleek een te hoog gehalte aan alcohol aanwezig. Betrokkene zat op de bijrijdersstoel en toonde haar politiepas aan de bekeurende politiebeambte.

2.Op 12 december 2007 heeft betrokkene een twaalftal levensmiddelen uit een supermarkt meegenomen zonder deze bij de kassa af te rekenen. Ter zake is aangifte van diefstal gedaan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank was van oordeel dat genoemd besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder belang gehecht aan een door de psychiater

M. Kazemier op 28 februari 2008 aan appellant uitgebracht rapport. Volgens dit rapport ontbreekt het betrokkene aan regulerend vermogen. Nu dit van invloed kan zijn geweest op het gedrag van betrokkene bij beide incidenten heeft appellant, aldus de rechtbank, niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de gedragingen betrokkene zijn te verwijten. Daarnaast heeft de rechtbank erop gewezen dat betrokkene al enkele jaren feitelijk niet meer werkzaam was in haar functie wegens ziekte.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad ziet in het licht van het door appellant zelf gevraagde psychiatrische rapport van 28 februari 2008 en voormelde in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen onvoldoende grond aanwezig deze uitspraak onjuist te achten.

Het hoger beroep slaagt dus niet.

3.2.1. De Raad stelt voorts vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nieuwe besluit van

28 oktober 2009.

Alvorens dit besluit te nemen heeft appellant de psychiater Kazemier verzocht in te gaan op de door de rechtbank opgeworpen vraag over de verwijtbaarheid. In zijn antwoord van 16 oktober 2009 geeft Kazemier aan dat er geen aanwijzingen zijn dat bij betrokkene de gewetensfuncties onvoldoende ontwikkeld zijn. Zij was zich terdege bewust van het verstoppen van de levensmiddelen. Bij betrokkene is sprake van een vrije wil, zij het dat deze zich op een meer kinderlijk niveau bevindt. Als uiting van haar verminderde realiteitszin kunnen beide incidenten betrokkene wel verminderd worden verweten, aldus Kazemier.

3.2.2. In zijn besluit van 28 oktober 2009 heeft appellant dit oordeel van Kazemier overgenomen. Weliswaar kan het plichtsverzuim betrokkene verminderd worden toegerekend maar volgens appellant zijn de aard en ernst van dit verzuim zodanig dat de straf van ontslag passend is. Dat betrokkene al enige tijd niet meer werkzaam was in haar functie acht appellant niet van (wezenlijke) betekenis. Betrokkene was wel in dienst van de politieregio en maakte aldus deel uit van de politieorganisatie. Aan politieambtenaren worden hoge eisen gesteld. Betrokkene heeft het aanzien van de politie beschadigd.

3.2.3. De Raad is van oordeel dat de thans gegeven motivering het ontslag kan dragen. Daarbij wijst de Raad er nog op dat (ook) uit de verklaringen die betrokkene zelf tegenover de politie heeft afgelegd naar voren komt dat zij zich goed bewust was van het ongeoorloofde van haar handelen in de supermarkt. Deze diefstal is als zeer ernstig plichtsverzuim aan te merken.

3.2.4. Het besluit van 28 oktober 2009 dient dus in stand te worden gelaten.

4. Nu het hoger beroep niet slaagt vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2009 ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en B.J. van de Griend en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M. Nijholt.

HD