Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
08-4210 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Gedrag tijdens gesprek. De beëindiging van het gesprek heeft niet tot het gevolg gehad dat het recht op bijstand van appellant niet kon worden vastgesteld. Appellant heeft zowel schriftelijk als mondeling informatie verstrekt over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Het College heeft niet kenbaar gemaakt dat - en in hoeverre - daarover meer informatie nodig was en heeft immers niet gesteld dat en op grond waarvan twijfels bestonden over de woonsituatie. In de resultaten van een huisbezoek in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag van appellant is geen aanleiding gezien die aanvraag af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4210 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2008, 07/3137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boomstra. Het College heeft zich, zonder voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 21 maart 2007 gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanvulling op zijn inkomsten uit arbeid. In het kader van zijn aanvraag heeft appellant een inlichtingenformulier ingevuld, bankafschriften en salarisspecificaties overgelegd en op 25 april 2007 op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een gesprek gevoerd met twee medewerkers van de DWI. Uit het door deze medewerkers opgestelde rapport van bevindingen van 27 april 2007 komt naar voren dat appellant tijdens het gesprek heeft verklaard over, kort gezegd, zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie. Voorts komt uit dat rapport naar voren dat appellant, ondanks een waarschuwing van de DWI-medewerkers, zijn stem bleef verheffen en op een gegeven moment uitlatingen heeft gedaan die voor de DWI-medewerkers aanleiding waren het gesprek met appellant direct te beëindigen.

1.2. Bij besluit van 2 mei 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juli 2007, heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant, door zijn gedrag tijdens het gesprek van 25 april 2007, niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van de DWI en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 21 maart 2007 tot en met 2 mei 2007.

4.2. Niet in geschil is dat het gesprek op 25 april 2007 abrupt is beëindigd nadat appellant zich op een manier had uitgelaten die door de DWI-medewerkers als bedreigend werd ervaren. Daargelaten of appellant daarmee de in artikel 17, tweede lid, van de WWB neergelegde medewerkingsverplichting heeft geschonden, is de Raad, met appellant en anders dan de rechtbank en het College, van oordeel dat de beëindiging van het gesprek niet tot het gevolg heeft gehad dat het recht op bijstand van appellant niet kon worden vastgesteld. Zoals onder 1.1 al is vermeld heeft appellant zowel schriftelijk als mondeling informatie verstrekt over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Het College heeft noch in het besluit van 2 mei 2007, noch in dat van 10 juli 2007 kenbaar gemaakt dat - en in hoeverre - daarover meer informatie nodig was om het recht op bijstand van appellant vast te kunnen stellen. Ook overigens heeft het College niet aannemelijk gemaakt dat met de beschikbare informatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat, zoals in een rapportage van 27 april 2007 is vermeld, de woonsituatie niet is gecontroleerd, brengt niet met zich dat het recht op bijstand in de hier te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het College heeft immers niet gesteld dat en op grond waarvan twijfels bestonden over de woonsituatie van appellant en heeft bovendien, zoals uit het verslag van de op 22 juni 2007 gehouden hoorzitting volgt, in de resultaten van een huisbezoek dat op 30 mei 2007 is afgelegd in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag van appellant geen aanleiding gezien die aanvraag af te wijzen.

4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het besluit van 10 juli 2007 niet op een deugdelijke motivering berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 10 juli 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de omstandigheid dat aan het (primaire) besluit van 2 mei 2007 hetzelfde, niet te herstellen, gebrek kleeft, ziet de Raad tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat besluit te herroepen. Nu op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand van appellant kan worden vastgesteld en uit die gegevens niet blijkt dat appellant geen recht op bijstand heeft, zal de Raad voorts bepalen dat aan appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van 21 maart 2007 bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande, onder aftrek van zijn inkomsten uit arbeid.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Aangezien het besluit van 2 mei 2007 wordt herroepen wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid en in bezwaar om vergoeding van de kosten in bezwaar is gevraagd, zal de Raad het College voorts veroordelen in de kosten van bezwaar. Deze kosten worden eveneens begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 juli 2007;

Herroept het besluit van 2 mei 2007;

Bepaalt dat aan appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van 21 maart 2007 bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande, onder aftrek van zijn inkomsten uit arbeid;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

RB