Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
10-3551 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3551 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2010, 09/1520 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2010. Voor appellant is verschenen mr. J.R. Ali, advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep van appellant is gericht tegen het besluit van 7 april 2009 (hierna: het bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 28 november 2008. Daarbij is bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 november 2008 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. In hoger beroep heeft appellant zich – onder meer – op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest nu geen gebruik is gemaakt van het verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis. Tevens heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd het bestreden besluit te vernietigen wegens het ontbreken van een deugdelijke medische grondslag, nu de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 november 2008 een verborgen beperking bevat op het aspect frequent zware lasten hanteren tijdens het werk.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest en houdt de FML van 6 november 2008 voldoende rekening met alle beperkingen van appellant. Daarbij tekent de Raad – onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 september 2009 (LJN BJ7873) – aan dat een verzekeringsgeneeskundig protocol geldt als hulpmiddel bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling waarbij het protocol niet dwingend voorschrijft dat alle daarin genoemde onderdelen van de beoordeling dan wel alle aspecten die zich bij een depressieve stoornis mogelijk voor kunnen doen ook expliciet door de (bezwaar)verzekeringsarts moeten worden besproken. De Raad acht van belang dat bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon met zijn rapportage van 13 februari 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd dat, rekening houdende met de door de behandelend psycholoog G.G. Haringsma vastgestelde dysthyme stoornis bij een GAF-score van 70, in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren.

4.3. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de FML van 6 november 2008 op item 4.16 een verborgen beperking bevat. De verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat appellant niet in staat is om gedurende ongeveer een uur per werkdag frequent lasten te hanteren van ongeveer 15 kilogram en niet aan de normaalwaarde kan voldoen. Daarom is op item 4.16 een beperking aangenomen. In de toelichting is vermeld dat appellant wel lasten kan hanteren tot 10 kilogram. Daarmee is van een verborgen beperking als aan de orde in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 23 februari 2007 (LJN AZ9153) geen sprake.

4.4. Met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée van 1 april 2009, in samenhang bezien met de Notities functiebelasting van 13 november 2008, is naar het oordeel van de Raad voldoende inzichtelijk gemaakt dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen zware lasten behoeven te worden gehanteerd die een gewicht van 10 kilogram te boven gaan. Met de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering staat ook voldoende vast dat de belasting op het aspect “tillen” in de functie van productiemedewerker industrie niet tot een overschrijding van de met de FML van 6 november 2008 verwoorde belastbaarheid van appellant leidt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de schatting berust op functies die in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is voorzien van een juiste medische en arbeidskundige grondslag. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.Greebe, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) M. Mostert.

JL