Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
10-357 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Er zijn in de rapportages geen aanwijzingen te vinden voor het standpunt van appellant dat hij gedurende bepaalde periodes, zoals een hier aan de orde zijnde periode van zes weken, wegens medische oorzaken in het geheel niet in staat zou zijn tot het behartigen van zijn belangen, waaronder begrepen het maken van bezwaar, of tot inschakeling van iemand die zijn belangen zou kunnen behartigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/357 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 08/8328 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. A. Schuil, advocaat te Leidschendam, zich voor appellant gesteld en nadere beroepsgronden ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 november 2010 heeft mr. Schuil nadere stukken in het geding gebracht, waaronder uitdraaien uit het zorgdossier van de huisarts van appellant en twee over appellant uitgebrachte justitiële rapportages.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2010. Voor appellant is mr. Schuil verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Huis, werkzaam bij de gemeente Rijswijk. Kort voor de aanvang van de behandeling van de zaak ontving de Raad een fax van appellant, waarin hij meedeelde niet te kunnen verschijnen en waarbij hij om aanhouding van zijn zaak heeft verzocht. Het onderzoek is vervolgens geschorst.

Voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schuil. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Savas, werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken. Appellant heeft daartegen bij brief van 8 september 2008 bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 17 oktober 2008, voor zover in dit geding van belang, heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar.

1.3. Appellant heeft op 17 november 2008 beroep ingesteld. Het beroep is behandeld ter zitting van 15 december 2009. Bij die gelegenheid heeft appellant verzocht om aanhouding van de zaak, in de eerste plaats om zich alsnog van rechtshulp te kunnen laten voorzien en voorts omdat het hem niet mogelijk was gebleken tijdig de beschikking te krijgen over medische stukken waarmee hij zou kunnen onderbouwen om welke redenen hij niet in staat is geweest tijdig bezwaar te maken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

17 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek om aanhouding van de zaak ten onrechte heeft afgewezen. De Raad volgt appellant daarin niet. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om een processuele bevoegdheid van de rechtbank. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitvoerig gemotiveerd waarom zij geen aanleiding zag voor een aanhouding van de zaak. Daarbij heeft de rechtbank onder meer mee laten wegen dat de advocaat die appellant oorspronkelijk bijstond zich in maart 2009 al had teruggetrokken (zodat appellant ruim voldoende tijd heeft gehad voor het vinden van een andere advocaat), dat appellant eveneens voldoende tijd heeft gehad om de beschikking te krijgen over medische gegevens en dat de zaak, die aanvankelijk was gepland voor een zitting van de rechtbank op 27 oktober 2009, eerder al op verzoek van appellant was aangehouden. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek om aanhouding heeft kunnen besluiten.

4.2. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van appellant buiten de wettelijke bezwaartermijn is ingediend. Appellant stelt zich evenwel op het standpunt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij daarbij in verzuim is geweest zodat, met toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, niet-ontvankelijk verklaring achterwege had moeten blijven. Daartoe heeft hij aangevoerd dat bij hem is vastgesteld dat hij lijdt aan ADHD, waardoor hij in de hier van belang zijnde periode niet in staat is geweest zijn belangen goed te behartigen.

4.3. De Raad heeft geen redenen gezien om, zoals door de raadsman van appellant bij brief van 9 december 2010 nog is verzocht, nadere stukken bij het College op te vragen. Ter zitting van de Raad van 14 december 2010 is niet gebleken dat het daarbij gaat om medische gegevens die van belang kunnen zijn voor de hier aan de orde zijnde beoordeling van de medische situatie van appellant medio 2008. Voor een aanhouding van de zaak om appellant de gelegenheid te geven nadere medische gegevens in het geding te brengen heeft de Raad evenmin aanleiding gezien. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad medische stukken in het geding te brengen. Daarbij betrekt de Raad dat reeds in het voorlopige beroepschrift van 16 december 2008 van de zijde van appellant is aangegeven dat medische gegevens nodig zijn voor een goede beoordeling van de zaak en dat al bij brief van de toenmalige advocaat van appellant van 9 februari 2009 is meegedeeld dat stukken bij medische behandelaars zijn opgevraagd. De Raad gaat derhalve uit van de thans voorhanden zijnde gegevens.

4.4. De rechtbank heeft het College gevolgd in zijn standpunt dat er geen medische onderbouwing voorhanden is voor de stelling van appellant dat hij gedurende de bezwaartermijn niet in staat was zelf, eventueel op nader aan te voeren gronden, bezwaar te maken dan wel ervoor te zorgen dat zijn belangen door een ander zouden worden behartigd. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel te komen en overweegt daartoe het volgende.

4.4.1. Appellant heeft in hoger beroep twee psychiatrische rapportages overgelegd. Deze zijn ten aanzien van appellant opgemaakt in het kader van een tegen hem ingestelde strafrechtelijke vervolging. In die rapportages is geen steun te vinden voor de opvatting van appellant dat hij destijds niet in verzuim is geweest. In de rapportage van 3 mei 2007 staat onder punt IV dat het bewustzijn van appellant helder is en dat zijn oriëntatie in plaats, tijd en persoon intact is. Het psychiatrisch onderzoek levert geen aanwijzingen op voor stoornissen van het geheugen, de waarneming en het denken. De intelligentie wordt op gemiddeld niveau ingeschat. De stemming is neutraal en het affect moduleert. In de rapportage van 29 maart 2009 zijn vrijwel dezelfde bevindingen neergelegd. In beide rapporten wordt weliswaar opgemerkt dat sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van ADHD, maar daaraan wordt in hoofdzaak de conclusie verbonden van een gebrekkige impulscontrole en van hyperactiviteit. Er zijn in de rapportages geen aanwijzingen te vinden voor het standpunt van appellant dat hij gedurende bepaalde periodes, zoals een hier aan de orde zijnde periode van zes weken, wegens medische oorzaken in het geheel niet in staat zou zijn tot het behartigen van zijn belangen, waaronder begrepen het maken van bezwaar, of tot inschakeling van iemand die zijn belangen zou kunnen behartigen. In het zorgdossier van de huisarts zijn die aanwijzingen evenmin te vinden.

4.4.2. De Raad neemt verder, evenals de rechtbank, in aanmerking dat appellant wel in staat was om begin september 2008 tegen een andere beslissing van het College bezwaar te maken. In dit verband wijst de Raad er daarnaast op dat appellant op 4 september 2008 een aanvraag om bijstand heeft gedaan, dat hij op 15 september 2008 een voorschot heeft aangevraagd, dat hij op 17 november 2008 opnieuw bijstand heeft aangevraagd, dat hij zelf beroep heeft ingesteld en in dat kader om uitstel en om aanhouding van zijn zaak heeft verzocht, alsmede dat hij ook zelf een hoger beroepschrift heeft ingediend. Dit alles wijst er niet op dat appellant niet in staat is of is geweest tot een adequate behartiging van zijn belangen.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2008 terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.

JvS