Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
10-723 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning uitkering ingevolge de Wajong. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/723 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 december 2009, 09/661 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.J. Smeets, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2010. Namens appellant is mr. J. Simonis, kantoorgenoot van mr. Smeets, verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Ambrosius.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft op 21 juli 2010 en 24 augustus 2010 gerapporteerd, op welke rapporten appellant desgevraagd heeft gereageerd bij brief van 9 september 2010.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 december 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een eerder besluit van 2 februari 2006, bij besluit van 10 oktober 2008 geweigerd om terug te komen van de niet-toekenning aan appellant van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 25 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep, ingesteld tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - het door de artsen van het Uwv verrichte onderzoek niet onzorgvuldig geacht. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek. Voorts heeft hij gesteld dat geen deugdelijk psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Tevens is aangevoerd dat appellant wel degelijk nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Daarbij doelt hij op de rapporten van psychiater R.W. Jessurun, van 21 november 2007, 10 maart 2009 en 1 juli 2009 en een verslag van een gesprek van een voormalige leraar van appellant met de directeur van de school.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. Zoals naar voren komt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (o.a. LJN BA9904) is de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende gewaarborgd indien dit geschiedt door een verzekeringsarts in opleiding. Dit gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts.

4.2.2. In de primaire fase is op 9 oktober 2008 over appellant gerapporteerd door een verzekeringsarts in opleiding. Dit rapport is mede-ondertekend door een stafverzekeringsarts van het Uwv. In de bezwaarfase heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv kennis genomen van het dossier, de hoorzitting bijgewoond en kennis genomen van de door appellant in bezwaar ingediende stukken. In een rapport van 20 maart 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. Gelet op het voorgaande is de Raad, zij het op andere gronden dan de rechtbank, van oordeel dat evengenoemd gebrek in bezwaar is hersteld en dat niet kan worden gezegd dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundig onvoldoende zorgvuldig is geweest. Gelet op de aard van het verzoek van appellant hoefde het Uwv ook geen (nader) psychologisch onderzoek te (laten) verrichten, zodat geen grond is voor het oordeel dat sprake is van onzorgvuldige nalatigheid.

4.3. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Bij zijn beoordeling of het bestuursorgaan van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, kan de bestuursrechter slechts acht slaan op feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht. Het bestuursorgaan heeft zijn besluit immers uitsluitend op die feiten en omstandigheden kunnen baseren. De Raad zal bij zijn beoordeling derhalve de stukken die door appellant in beroep en hoger beroep zijn overgelegd, niet betrekken.

4.4. De Raad is van oordeel dat bij het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 2 februari 2006 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zijn vermeld.

4.5. Met name zijn zulke feiten of omstandigheden niet gelegen in de rapporten van psychiater Jessurun van 21 november 2007 en 10 maart 2009. In zijn hiervoor in 4.2.2 vermelde rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat in de rapporten van Jessurun in medisch opzicht geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad heeft geen aanleiding deze overtuigend onderbouwde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad begrijpt deze conclusie aldus dat de rapporten van Jessurun slechts een nadere weging omvatten van op zich reeds bekende en destijds bij het nemen van het besluit van 2 februari 2006 ook nadrukkelijk meegewogen medische feiten en omstandigheden. Daaraan voegt de Raad nog toe dat de visie van Jessurun ook reeds naar voren is gekomen uit zijn - bij gelegenheid van de eerste aanvraag van een Wajong-uitkering - verklaring van 12 oktober 2005.

4.6. De Raad komt tot de slotsom dat het Uwv zich terecht bevoegd heeft geacht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen. In hetgeen door appellant is gesteld, ziet de Raad, mede gelet op de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.

4.7. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

NK