Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
10-2135 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2135 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 maart 2010, 09/1780 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij was gevoegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 20 mei 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 mei 2005 heeft de Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) van appellante, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 27 oktober 2005 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.2. Op 27 augustus 2008 heeft appellante het Uwv verzocht om een zogeheten Amber-beoordeling uit te voeren. Zij voelt zich toegenomen arbeidsongeschikt met name vanwege vermoeidheids- en spanningsklachten.

1.3. Bij besluit van 27 mei 2009 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – gehandhaafd zijn besluit van 5 januari 2009, waarbij geweigerd is met toepassing van artikel 43a van de WAO aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschikt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 27 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante dient te worden gelezen:

“2.6. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres aldus, dat zij meent dat haar mogelijkheden tot functioneren niet op de juiste wijze in de Functie mogelijkhedenlijst (FML) zijn neergelegd. De rechtbank volgt eiseres echter niet in dit betoog. Allereerst is uit de stukken niet gebleken dat ten aanzien van eiseres in verband met haar vermoeidheidsklachten, een myalgische encephalomyelitis (ME) of chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) is gediagnosticeerd. Zelfs als dat wel zo was geweest, dan is voor een gegrond beroep nodig dat op grond van medisch onderzoek wordt vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen voor de betrokkene een vermindering van de mogelijkheden tot functioneren tot gevolg hebben. De rechtbank overweegt dat de medische klachten en problemen van eiseres door de (bezwaar)verzekeringsarts(en) uitgebreid bij de beoordeling van de gezondheidstoestand van eiseres betrokken zijn en dat gemotiveerd is aangegeven dat de klachten van eiseres niet zijn terug te voeren op ziekte en of gebrek als bedoeld in (artikel 18 van) de WAO. De verzekeringsartsen hebben geen aanleiding gevonden tot het aannemen van meer beperkingen dan de beperkingen zoals die zijn neergelegd in de FML die ten grondslag ligt aan de intrekking van de WAO-uitkering van eiseres op 27 oktober 2005.

Eiseres is uitgegaan van de klachten zoals zij die met name op grond van haar vermoeidheid beleeft. Van enige onderbouwing daarvan met medisch objectiveerbare stukken is de rechtbank echter niet gebleken, zodat eiseres niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat zij in medisch opzicht meer is beperkt dan door de verzekeringsartsen met betrekking tot haar belastbaarheid in de periode van 27 oktober 2005 tot en met 5 januari 2009 in de FML is aangenomen.

2.7. Over de door eiseres gewenste urenbeperking merkt de rechtbank nog op dat er in de medische stukken geen aanleiding kan worden gevonden om te veronderstellen dat er een urenbeperking noodzakelijk is zolang eiseres voor haar passend werk verricht. In hetgeen in beroep is aangevoerd, worden geen objectief medische aanknopingspunten aangetroffen voor een ander oordeel.

2.8. Tot slot merkt de rechtbank op dat er slecht sprake is van arbeidsongeschiktheid indien en voor zover een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, resulterend in een relevant inkomensverlies. De wijze waarop een betrokkene zelf zijn gezondheid(klachten) ervaart, kan daarom geen toereikende grondslag vormen om arbeidsongeschiktheid aan te nemen.”

3.1. In hoger beroep heeft appellante evenals in beroep herhaald dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar chronische vermoeidheidsklachten en depressiviteit. Een beroep is gedaan op een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 oktober 2005, LJN AV0600. Ter zitting heeft appellante nog mededeling gedaan van een recent onderzoek door een KNO-arts, waaruit naar voren is gekomen dat bij haar sprake is van een aangeboren inefficiënte ademhaling.

3.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de medische stukken niet naar voren komt dat bij appellante de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) is gesteld. Met betrekking tot de periode hier in geding, 27 oktober 2005 tot en met 5 januari 2009, is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Met betrekking tot het onderzoek door de KNO-arts is ter zitting namens het Uwv opgemerkt, dat appellante met die beperking kennelijk gedurende geruime tijd verzekerde arbeid heeft kunnen verrichten en het kennelijk om een andere ziekteoorzaak gaat.

4. De Raad stelt zich achter het hierboven onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Niet is kunnen blijken van aanknopingspunten om het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv als onvoldoende uitgebreid of anderszins als onvoldoende zorgvuldig aan te merken. Voorts heeft de Raad in de voorliggende gegevens geen objectief-medische aanknopingspunten aangetroffen voor de eigen opvatting van appellante dat de conclusie van de verzekeringsartsen dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, onjuist is. Ook in hoger beroep heeft appellante geen informatie in het geding gebracht die de Raad heeft doen twijfelen aan de houdbaarheid van het bestreden besluit. De ter zitting van de Raad gedane mededeling over een onderzoek door een KNO-arts is niet nader onderbouwd met enig schriftelijk gegeven. Ten slotte overweegt de Raad dat de vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 oktober 2005, LJN AV0600, mank gaat, reeds omdat bij appellante juist niet de diagnose CVS(/ME) is vastgesteld.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR