Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
10-1115 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante moet in staat worden geacht de voorgehouden functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1115 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 januari 2010, 09/861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 23 december 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, verkoopster in een slagerij, is wegens knieklachten, rugklachten en de ziekte van Pfeiffer uitgevallen voor haar werk. Per einde wachttijd is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 28 november 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 januari 2009 ingetrokken op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 11 augustus 2009 gegrond verklaard en met ingang van

5 januari 2009 is de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er op grond van de beschikbare medische gegevens onvoldoende redenen aanwezig zijn om te oordelen dat de medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Daarbij heeft zij van belang geacht dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de medische beoordeling en met name niet ten aanzien van de aspecten dynamische handelingen en statische houdingen. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage op genoegzame wijze aandacht heeft besteed aan de klachten van appellante en gemotiveerd heeft aangegeven waarom een urenbeperking niet plausibel is.

Naar het oordeel van de rechtbank moet appellante in staat worden geacht de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat met de door de bezwaararbeidsdeskundige per functie gegeven gedetailleerde toelichting voldoende inzichtelijk en verifieerbaar is gemotiveerd waarom de signaleringen binnen de belastbaarheid van appellante blijven. Daarbij acht de rechtbank voldoende overtuigend gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ondanks de bij aspect 5.1 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) gegeven aanvullende beperking dat de werkzaamheden niet puur staand of lopend mogen zijn, passend zijn.

3. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd - hetgeen grotendeels neerkomt op een herhaling van de reeds eerder aangevoerde grieven - geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding tot twijfel bestaat aan de in de FML van 10 juli 2009 neergelegde beperkingen van appellante. Ook de Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 juli 2009 uitgebreid en overtuigend heeft gemotiveerd dat de medische gegevens geen aanleiding geven tot het aannemen van meer beperkingen, daaronder begrepen een urenbeperking, dan in de door de verzekeringsarts opgestelde FML zijn neergelegd. Daarbij acht de Raad van belang dat appellante aan de bezwaarverzekeringsarts te kennen heeft gegeven dat het door de orthopedisch chirurg verrichte onderzoek in het najaar van 2008, welke mede een MRI-scan omvatte, geen nieuwe medische feiten heeft opgeleverd. De Raad ziet dan ook geen noodzaak tot het benoemen van een deskundige.

Voorts is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. De toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige op de signaleringen in zijn rapport van 28 juli 2009 is toereikend. Ook is door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd dat de voorgehouden functies, welke bestaan uit licht productiewerk dan wel administratief dienstverlenend werk, aan de voorwaarden van de in de FML op de items 4.24 en 5.11 aangenomen beperking dat de werkzaamheden niet puur lopend of staand mogen zijn voldoen, omdat het gaat om werk waarbij overwegend wordt gezeten. De Raad verenigt zich derhalve met de overwegingen van de rechtbank terzake.

4. Uit het onder 3 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

EK