Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3097

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
09-624 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante moet in staat worden geacht om de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/624 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2008, 08/267 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij was gevoegd een rapport van bezwaararbeidsdeskundige

W.A.M.H. Heijmans van 5 maart 2009.

Mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, heeft als opvolgend gemachtigde van appellante een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brieven van 21 en 22 oktober 2010 op het aanvullend beroepschrift gereageerd. Hierbij waren gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 21 oktober 2010 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.G.M. Claessen van 22 oktober 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1996 wegens nek- en armklachten en psychische klachten uitgevallen als supervisor cargo. Bij einde wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van

16 oktober 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling van een verzekeringsarts ten grondslag, welke op basis van lichamelijk en psychisch onderzoek, dossierstudie en bestudering van recente informatie van de behandelend orthopeed en de uitslag van een CT-scan, heeft geconcludeerd dat er sprake is van een beperkte belastbaarheid van de functie van nek en rug en dat duidelijk is dat appellante moeite heeft de belemmeringen die zij ervaart een plaats te geven, maar dat niet gesteld kan worden dat sprake is van psychopathologie welke beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren rechtvaardigen. De verzekeringsarts heeft beperkingen voor appellante vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

18 april 2007, met name in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid voor een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 43,08%.

1.3. Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit aangevoerde bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts die, na dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting en kennisneming van de namens appellante overgelegde medische informatie van revalidatiearts dr. J. van Akeleyen, tot de slotsom is gekomen dat er aanleiding bestaat tot het aanpassen van de FML in die zin dat er een beperking moet worden aangenomen ten aanzien van blootstelling aan persoonlijk risico, gelet op appellantes duizeligheid ten gevolge van haar nekproblemen. Voor het overige zag de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding tot herziening van de medische grondslag waarop het besluit van 10 augustus 2007 berust. Uitgaande van de aldus opgestelde FML van 22 oktober 2007 is een bezwaararbeidskundige beoordeling gevolgd, waarbij het maatmanloon is gecorrigeerd en er een nadere aanvullende toelichting is gegeven ten aanzien van de signaleringen bij de geduide functies. Onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige van 22 oktober 2007 en 3 december 2007 heeft het Uwv bij besluit van 11 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken heeft zij - kort samengevat - overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest dan wel dat dit heeft geleid tot onjuiste conclusies. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de belasting van de geduide functies binnen de belastbaarheid van appelante blijft. Volgens de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige, naast de toereikende toelichting van de signaleringen, tevens in voldoende mate toegelicht waarom de enkele in de FML genoemde beperkende toelichtingen niet afdoen aan de geschiktheid van de functies.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er in de FML ten onrechte geen beperkingen voor appellante zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en dat ten onrechte niet langer een urenbeperking is geïndiceerd. Voorts heeft appellante gesteld dat de aan appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid overschrijden op de punten staan en hoofdbewegingen maken en dat gelet op de toelichting die de verzekeringsarts bij de normaalwaarde afwisseling van houding heeft gegeven, de arbeidsdeskundige onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom er geen sprake is van een overschrijdende belasting bij het verrichten van de geduide functies. Tot slot is appellante van mening dat er gelet op het feit dat zij in het buitenland verblijft ten onrechte geen uitlooptermijn van zes maanden is gehanteerd.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad wat door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de voorliggende stukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts tot onjuiste of niet naar behoren onderbouwde conclusies hebben geleid. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 22 oktober 2007 uitvoerig en naar het oordeel van de Raad op overtuigende wijze gemotiveerd waarom in het verleden een urenbeperking voor appellante is aangenomen maar deze ten tijde hier in geding niet langer noodzakelijk wordt geacht. Daarbij heeft zij onder meer gesteld dat er geen medische noodzaak aanwezig is voor de rustperiodes die appellante in de middag in acht neemt waarbij zij heeft gewezen op de verklaring van revalidatiearts Van Akeleyen, welke heeft aangegeven dat het voor appellante beter is een meer actieve levensstijl aan te nemen. Voor zover appellante heeft gesteld dat ten gevolge van psychische klachten een urenbeperking voor haar aangenomen dient te worden, is de Raad met de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat uit de stukken niet naar voren is gekomen dat appellante een psychische aandoening heeft. Om die reden heeft de bezwaarverzekeringsarts eveneens geen aanleiding gezien om in de FML beperkingen voor appellante aan te nemen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Appellante heeft in hoger beroep geen medische stukken in het geding gebracht die de Raad tot een ander oordeel moeten leiden.

4.2.1. Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 22 oktober 2007 aangenomen beperkingen, moet appellante naar het oordeel van de Raad in staat worden geacht om de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.2.2. Daaraan voegt de Raad nog het volgende toe. Op de FML wordt bij item 5.9 'Afwisseling van houding' de normaalwaarde aangegeven met als toelichting van de verzekeringsarts: 'aangewezen op mogelijkheid tot afwisseling van houding'. De Raad stelt vast dat, ondanks het gebruik van een beperkende toelichting bij de normaalwaarde bij item 5.9, er wel signaleringen zijn verschenen in de zogenoemde Resultaat Functiebeoordeling, waarin de belastingen van de door het Uwv geselecteerde functies wordt aangegeven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van

3 december 2007 gemotiveerd waarom de voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruikte functies ondanks signaleringen ten aanzien van dit item toch passend zijn. Daarbij is vermeld dat er in de functies geen sprake is van een gedwongen werkhouding en de er voldoende van houding kan worden gewisseld. In hoger beroep is door de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 22 oktober 2010 in het kader van zorgvuldigheid nog een aanvullende motivering gegegeven. Hoewel aan appellante moet worden toegegeven dat een FML op een juiste wijze dient te worden ingevuld, is gelet op de (aanvullende) rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige (toch) aan de eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid voldaan nu is bezien of de functies met deze beperking passend zijn en toereikend is toegelicht waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

4.3. Ten aanzien van de door het Uwv gehanteerde uitlooptermijn van twee maanden merkt de Raad op dat uit de bijlage bij het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ, Wajong 1999 blijkt dat het Uwv slechts in gevallen waarin een verzekerde in het buitenland woont en sprake is van een nader omschreven feitencomplex een uitlooptermijn van zes maanden hanteert. Eén van de daarbij expliciet genoemde omstandigheden is dat de verzekerde in verband met zijn verblijfsrechtelijke positie niet kan rekenen op voldoende steun van het Uwv bij het vinden van werk. Het Uwv heeft terecht aangenomen dat van een zodanige omstandigheid bij appellante geen sprake is nu zij woonachtig is in België en zich derhalve - als onderdaan van een lidstaat van de EU - zonder verblijfsrechtelijke belemmeringen, naast de Belgische arbeidsmarkt eveneens op de Nederlandse arbeidsmarkt kan richten.

5. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

EK