Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
09-5669 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om de beperkingen, zoals vastgesteld door de artsen van het Uwv en beschreven in de FML van 23 mei 2008, voor onjuist te houden. De Raad is van oordeel dat appellant in staat moest worden geacht zijn eigen werk te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5669 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 augustus 2009, 08/8033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Bij brief van 22 oktober 2010 heeft appellant nadere medische informatie overgelegd, waarop door de bezwaarverzekeringsarts bij rapport van 14 november 2010 is gereageerd. Bij brief van 25 november 2010 heeft appellant wederom nadere medische informatie aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 6 maart 2006 in verband met rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden van business analist bij de [naam Bank]. Appellant heeft daarna voor 8 uur per week, verdeeld over 5 dagen, het werk hervat.

1.2. In mei 2008 heeft er een medisch onderzoek plaatsgevonden ter voorbereiding van een besluit inzake het al dan niet toekennen van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsarts van het Uwv acht appellant, vanwege een beperkte belastbaarheid van de rug, aangewezen op fysiek lichte werkzaamheden, deels zittend, maar met de mogelijkheid regelmatig te vertreden. Daarbij dient naar het oordeel van de verzekeringsarts een goede bureaustoel beschikbaar te zijn. De verzekeringsarts heeft geen indicatie gezien voor een urenbeperking. De voor appellant vastgestelde belastbaarheid is door de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 mei 2008. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft appellant, uitgaande van de in de FML beschreven beperkingen en na kennis te hebben genomen van de functieomschrijving van het eigen werk van appellant als business analist, geschikt geacht voor deze maatgevende arbeid.

Het Uwv heeft appellant daarop bij besluit van 1 juli 2008 medegedeeld dat er voor hem ingaande 25 april 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat hij geschikt wordt geacht voor het eigen werk.

2. Het tegen het besluit van 1 juli 2008 gemaakte bezwaar van appellant is door het Uwv, na heroverweging door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, ongegrond verklaard bij besluit van 18 november 2008 (hierna: het bestreden besluit). De bezwaarverzekeringsarts R.A. Hollander heeft zich, na weging van tijdens de bezwaarprocedure verkregen medische informatie van de behandelende sector, op het standpunt gesteld dat er geen redenen zijn om te stellen dat de gezondheidstoestand van appellant door de primair verzekeringsarts onjuist is ingeschat. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft hiertoe overwogen dat sprake is van restklachten na spondylodiscitis en een status na een spinaalstenose-ingreep, maar dat geen sprake is van neurologische uitval. Voorts ziet de verzekeringsarts door de neuroloog en revalidatie-arts bevestigd dat sprake is van een goede mobiliteit en stabiliteit van de wervelkolom. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts hebben deze geen aanleiding gegeven een urenbeperking te formuleren.

3.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat het Uwv de beperkingen van appellant niet juist heeft vastgesteld. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts alvorens de FML op te stellen appellant op het spreekuur heeft gezien, dossierstudie heeft verricht en informatie van de behandelend sector heeft ontvangen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting heeft bijgewoond en dat in verband met de ziekte van appellant wel beperkingen zijn aangenomen.

3.2. Het door appellant in beroep overgelegde rapport van orthopedisch chirurg drs. F. de Nies van 6 mei 2009 bevat naar het oordeel van de rechtbank geen medische informatie waaruit blijkt van aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat uit dit rapport en de daarbij behorende “vertaling” van de medisch adviseur van de ARAG van de door drs. De Nies aangegeven beperkingen naar een FML, blijkt dat er slechts zeer geringe verschillen zitten tussen de beperkingen zoals deze door het Uwv zijn aangenomen en zoals vastgesteld door drs. De Nies. Deze beperkingen maken naar het oordeel van de rechtbank niet, dat appellant niet in staat kan worden geacht het eigen werk te verrichten.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft voor de gronden van het hoger beroep verwezen naar hetgeen door hem in het bezwaar- en beroepschrift is gesteld. Appellant heeft in aanvulling daarop aangevoerd dat de rapportage van drs. De Nies wel degelijk aanzienlijke verschillen laat zien met de beperkingen zoals door het Uwv aangenomen. Juist op het aspect dat in zijn functie een grote belasting vormt, het aspect zitten, is hiervan sprake. Primair stelt appellant zich op het standpunt dat de door drs. De Nies aangenomen beperkingen, met name ten aanzien van het aspect zitten, dienen te leiden tot de conclusie dat appellant niet in staat het eigen werk te verrichten alsmede andere werkzaamheden in een fulltime omvang. Subsidiair is appellant van mening dat de rapportage van drs. De Nies in ieder geval twijfel zaait met betrekking tot de juistheid van het oordeel van het Uwv, hetgeen het benoemen door de Raad van een deskundige rechtvaardigt. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat heeft appellant in de loop van de procedure in hoger beroep nog diverse medische stukken overgelegd, waaronder een herziene versie van het rapport van drs. De Nies van 31 maart 2010.

4.2. Het Uwv heeft in verweer -samengevat- aangevoerd dat ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellant geen nieuwe gezichtspunten zijn aangevoerd. Daarnaast stelt het Uwv dat de systematiek van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV) niet zonder meer overgezet kan worden op de systematiek van de FML. Ten aanzien van de nader overgelegde medische informatie is het Uwv van mening dat de informatie geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Uit hetgeen door appellant in hoger beroep en ter zitting is aangevoerd blijkt dat met name in geschil is de vraag of het Uwv al dan niet appellants belastbaarheid ten aanzien van het aspect 5.2.1, zitten tijdens het werken, heeft onderschat. Daarnaast is in geschil of al dan niet ten onrechte door het Uwv geen duurbeperking is aangenomen. Niet in geschil is de juistheid van de werkomschrijving van de door appellant, voor zijn uitval, laatstelijk verrichte functie van business analist, zoals beschreven door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 26 juni 2008.

5.3. Appellant voelt zich in het standpunt, dat zijn beperking ten aanzien van het aspect 5.2.1 is onderschat, gesteund door orthopedisch chirurg drs. De Nies. Deze arts, die op verzoek van appellant een onderzoek heeft ingesteld naar zijn belastbaarheid op de datum in geding, komt in zijn (herziene) rapport van 31 maart 2010, op basis van bevindingen uit eigen onderzoek, informatie van de behandelend sector, en na kennis te hebben genomen van de bevindingen van de artsen van het Uwv, tot de diagnose status na spondylodiscitis L4/L5 en status na operatieve decompressie van een spinaalstenose L5/L6. Op het moment van zijn onderzoek vindt drs. De Nies tevens een belangrijke discopathie op niveau L4/L5. Appellant wordt door hem matig beperkt geacht ten aanzien van het aspect zitten.

5.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan het rapport van drs. De Nies niet die betekenis kan worden toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de methodiek van het vaststellen van beperkingen, zoals die kennelijk door drs. De Nies op basis van de richtlijnen van de NOV is gehanteerd, zo zeer verschilt van die welke wordt gehanteerd in het kader van een FML, dat reeds daarom aan de rapporten van drs. De Nies die betekenis niet toekomt. De Raad verwijst naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts R.A. Hollander van 14 december 2009, waarin de van elkaar verschillende uitgangspunten in de methodieken zijn uiteengezet. Bij dat licht heeft de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat er slechts zeer geringe verschillen zijn tussen de beperkingen zoals die door drs. De Nies zijn gevonden en die welke zijn vastgelegd in de FML.

5.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat ook overigens onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om de beperkingen, zoals vastgesteld door de artsen van het Uwv en beschreven in de FML van 23 mei 2008, voor onjuist te houden. Hiertoe overweegt de Raad, in aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen dat uitgaande van de pijnklachten van appellant en de, ook door de behandelend sector geobjectiveerde rugafwijkingen, door de primair verzekeringsarts diverse beperkingen zijn aangenomen. De aangenomen beperkingen hebben met name betrekking op het dynamisch handelen en statische houdingen, waartoe ook het aspect zitten behoort. De door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn oordeel dat de in de FML van 23 mei 2008 beschreven beperkingen dienen te worden onderschreven gebaseerd op bevindingen uit eigen lichamelijk onderzoek en verkregen informatie van de behandelend sector, dossierstudie en aanwezigheid op de hoorzitting.

5.6. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.3 tot en met 5.5 ziet de Raad geen aanleiding voor een nader deskundigenonderzoek.

5.7. Met eventuele toegenomen beperkingen, veroorzaakt door de door drs. De Nies ten tijde van zijn onderzoek vastgestelde discopathie, kan in het kader van de onderhavige beoordeling geen rekening worden gehouden. Uit de in het dossier aanwezige medische gedingstukken, op chronologische wijze worden beoordeeld, kan namelijk worden afgeleid dat deze discopathie na de datum in geding is ontstaan.

5.8. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 23 mei 2008 en de werkomschrijving van de maatgevende arbeid waaruit onder meer blijkt dat appellant naar eigen inzicht kan vertreden, is de Raad van oordeel dat appellant in staat moest worden geacht zijn eigen werk van business analist met ingang van 25 april 2008 te verrichten.

5.9. Gelet op hetgeen de Raad onder 5.2 tot en met 5.8 heeft overwogen komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en G.P.A.M. Garvelink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

NK