Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
09-5744 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging arbeidsverplichtingen, omdat het voorbereidingsjaar van artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 is beëindigd als gevolg van het door appellant opzeggen van de samenwerking met het IMK. De Raad stelt vast dat het College, door in het geval van appellant een niet aangevangen voorbereidingsperiode te beëindigen, een niet bestaande bevoegdheid heeft gehanteerd. Het College had het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2008 dan ook gegrond moeten verklaren en dit besluit moeten herroepen. De Raad voorziet zelf en herroept het besluit. Geen schadevergoeding, aangezien niet is gebleken dat appellant als gevolg van de onderhavige besluitvorming schade heeft geleden.

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/73
USZ 2011/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5744 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 oktober 2009, 08/921 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad op 11 november 2010 waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 14 december 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen en mr. G. Prins, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het College een aanvraag van appellant om in aanmerking te worden gebracht voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz 2004) afgewezen, op de grond dat zijn bedrijf niet levensvatbaar moet worden geacht. Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 december 2008 (procedurenummer 08/579) heeft de rechtbank Groningen het beroep van appellant tegen het besluit van 10 juni 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 september 2010, LJN BN8701 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.

1.3. Ondanks de afwijzing van de aanvraag om een Bbz-uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal is, op aanbeveling van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (hierna: IMK) en met instemming van appellant, de eerder in gang gezette begeleiding van appellant door het IMK per 13 mei 2008 voortgezet.

1.4. Op 9 juli 2008 heeft appellant de heer O.P. Smid, ondernemerscoach bij het IMK, via een e-mailbericht meegedeeld dat hij geen basis ziet voor verdere samenwerking met hem. In een eindverslag van 9 juli 2008 komt het IMK tot de conclusie dat er ten opzichte van de uitgangssituatie geen vooruitgang is geboekt en dat het begeleidingstraject niet het gewenste effect heeft gehad.

1.5. Bij besluit van 28 juli 2008 heeft het College vastgesteld dat appellant tot 6 juli 2008 gebruik maakte van het voorbereidingsjaar als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 en appellant meegedeeld dat de in artikel 9 van de WWB opgenomen arbeidsverplichtingen onverkort voor hem van kracht zijn. Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat de arbeidsverplichtingen terecht zijn opgelegd, omdat het voorbereidingsjaar van artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 is beëindigd als gevolg van het door appellant opzeggen van de samenwerking met het IMK.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat als gevolg van het e-mailbericht van 9 juli 2008 van appellant de voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 geëindigd is, en dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsverplichtingen van artikel 9 van de WWB op appellant van toepassing zijn.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 is bepaald dat aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking, de bijstandsverlening gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden kan worden voortgezet. Ingevolge de tweede volzin van dit artikellid gelden in een zodanig geval de arbeidsverplichtingen niet en is de belanghebbende verplicht mee te werken aan begeleiding door een door het College aangewezen derde.

4.2. Ter zitting van de Raad is namens het College erkend dat geen besluit is genomen waarbij aan appellant met ingang van 13 mei 2008 toestemming is verleend om met behoud van de algemene bijstand gebruik te maken van een voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004. Van de zijde van het College is tevens verklaard dat het in de besluiten van 28 juli 2008 en 10 oktober 2008 neergelegde standpunt dat gedurende de periode waarin appellant begeleiding kreeg van het IMK sprake was van een voorbereidingsperiode in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 (dan ook) niet gehandhaafd wordt.

4.3. Dit betekent dat er in feite geen voorbereidingsperiode als onder 4.1 bedoeld is aangevangen.

4.4. De Raad stelt vervolgens vast dat het College, door in het geval van appellant een niet aangevangen voorbereidingsperiode als onder 4.1 bedoeld te beëindigen, een niet bestaande bevoegdheid heeft gehanteerd. Het College had het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2008 dan ook gegrond moeten verklaren en dit besluit moeten herroepen. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend kan de aangevallen uitspraak geen stand houden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 10 oktober 2008 vernietigen. Voorts ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 28 juli 2008 te herroepen.

5. De Raad is van oordeel dat de verzoeken van appellant in beroep en hoger beroep om schadevergoeding dienen te worden afgewezen. Hierbij overweegt de Raad dat niet is gebleken dat appellant als gevolg van de onderhavige besluitvorming schade heeft geleden. Er was immers geen sprake van een in gang gezette voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004, zodat appellant ook geen schade kan hebben geleden door het onbevoegdelijk genomen en na bezwaar gehandhaafde besluit van 28 juli 2008 tot beëindiging daarvan. In dit verband overweegt de Raad dat de door het IMK aan appellant gegeven begeleiding in de periode van 13 mei 2008 tot 6 juli 2008 in wezen gekwalificeerd dient te worden als een door het College onverplicht geboden ondersteuning. Voor appellant gold ook niet de verplichting als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 om daaraan mee te werken. Hieruit volgt dat het College deze begeleiding desgewenst op ieder moment kon beëindigen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken. De Raad overweegt in dat verband dat de kosten van rechtsbijstand uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen indien het gaat om door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en daarvan is in dit geval geen sprake.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 oktober 2008;

Herroept het besluit van 28 juli 2008;

Wijst het verzoek om vergoeding van schade af;

Bepaalt dat het College het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

RB