Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
11-14 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Gezien de inkomenssituatie van verzoekster wordt spoedeisend belang aanwezig geacht. Geen grond om de opheffing van de formatieplaats van verzoekster op grond van de noodzaak tot bezuinigen in twijfel te trekken. Geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/14 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur (hierna: college)

tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 27 september 2010, 10/2952 en 10/2953, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het college

Datum uitspraak: 1 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 26 oktober 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. A.M.W.A. van der Hoeven, advocaat te Breda.

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, advocaat te

’s-Hertogenbosch, en [leidinggevende] en drs. M. van Sambeek, beiden werkzaam bij de gemeente Etten-Leur.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster heeft vanaf 19 november 2007 tot 1 augustus 2009 bij de gemeente Etten-Leur als uitzendkracht werkzaamheden verricht. Aansluitend hieraan heeft het college verzoekster in tijdelijke dienst aangesteld voor het tijdvak van 1 augustus 2009 tot 1 augustus 2010 met een werktijd van 20 uur per week. In de aanstellingbrief is vermeld dat de aanstelling van rechtswege afloopt op de einddatum, welke mogelijkheid is geregeld in de Arbeidsvoorwaardenregeling Etten-Leur (hierna: AVREL).

Bij brief van 5 januari 2010 is verzoekster namens het college meegedeeld dat haar aanstelling van rechtswege zal eindigen op 1 augustus 2010. Het door verzoekster tegen de brief van 5 januari 2010 gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 juni 2010 (hierna: besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard, omdat in de brief van 5 januari 2010 niet een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuurswet (Awb) vervat is. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de brief van 5 januari 2010 wel als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aangemerkt, besluit 1 vernietigd en het college opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

1.2. Het college heeft hoger beroep ingesteld.

1.3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 26 oktober 2010 (hierna: besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2010 ontvankelijk geacht en ongegrond verklaard.

2. Verzoekster kan zich ook met dit besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. In verband daarmee heeft zij een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe (primair) de werking van besluit 2 te schorsen, het dienstverband met verzoekster te (doen) verlengen en verzoekster toe te laten tot haar arbeid. Subsidiair vraagt verzoekster een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie meent dat nodig is.

Het college ziet geen spoedeisend belang voor verzoekster en is voorts van oordeel dat besluit 2 in rechte stand kan houden.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter van de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe beslissing op bezwaar waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen.

3.2. Besluit 2 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak dient, nu ter zake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd, zodat de voorzieningenrechter er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de brief van 5 januari 2010 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat het nieuwe besluit in rechte geen stand houdt. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

3.3. In de omstandigheid dat verzoekster geen inkomen uit arbeid heeft en na een kortdurende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand, ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang voor verzoekster gelegen.

3.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 5 juni 2003, LJN AH9041 en TAR 2003, 171 en CRvB 13 augustus 2009, LJN BJ5649) vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort, dat het bestuursorgaan niet gehouden is die tijdelijke aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.

3.5. Van het grote aantal beroepsgronden tegen besluit 2 zal de voorzieningenrechter, gelet op de beperkte eisen die aldus aan de motivering van een besluit tot niet-verlenging worden gesteld, bij zijn voorlopig oordeel met name acht slaan op datgene dat doorslaggevend zou kunnen zijn voor het al dan niet treffen van een voorziening.

3.5.1. Verzoekster is van opvatting dat haar tijdelijke aanstelling door conversie een aanstelling in vaste dienst is geworden. De grondslag voor deze stelling is gelegen in haar opvatting dat de CAR/UWO in strijd is met de zogenoemde flexwetgeving en richtlijn 1999/70/EG van de Raad van de Europese Unie (hierna: richtlijn), omdat in de CAR/UWO niet een voorschrift is opgenomen dat periodes van werkzaamheid bij de gemeente Etten-Leur via een uitzendbureau meetellen bij het van rechtswege laten ontstaan van een vaste aanstelling na een zeker aantal aanstellingen/overeenkomsten dan wel na een bepaalde tijd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat in plaats van CAR/UWO gelezen moet worden de AVREL, omdat blijkens de gedingstukken op de aanstelling van verzoekster de AVREL van toepassing was. Nog daargelaten dat de flexwetgeving niet rechtstreeks van toepassing is op ambtelijke rechtsverhoudingen en dat verzoekster desgevraagd geen direct werkende bepaling uit de richtlijn heeft kunnen aanwijzen waar zij de door haar bedoelde strijdigheid aan ontleent, is de voorzieningenrechter van opvatting dat de beantwoording van deze rechtsvraag zich niet leent voor een voorlopig oordeel.

3.5.2. In de eerste helft van 2010 is komen vaststaan dat de gemeente Etten-Leur fors moest bezuinigen. Dit heeft ook gevolgen gehad voor de eigen bedrijfsvoering en daarmee ook voor het personeel. Dit heeft onder meer geleid tot opheffing van de formatieplaats waarop verzoekster benoemd was. [leidinggevende] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen nieuwe medewerker op verzoeksters plaats is gekomen. De advocaat voor wie verzoekster werkte doet nu deels zelf de werkzaamheden die verzoekster deed en de overige werkzaamheden zijn verdeeld over andere medewerkers. De door verzoekster genoemde ingehuurde studenten hebben in een paar weken een bepaalde klus gedaan, die geen deel uitmaakte van het werk dat verzoekster voor de gemeente verrichtte. Bij nog een andere tijdelijk aangestelde medewerker van de afdeling waaraan [leidinggevende] leiding gaf is beslist om het dienstverband niet te verlengen bij de einddatum van de aanstelling.

3.5.3. Mede in aanmerking genomen dat verzoekster niet heeft betwist dat de gemeente Etten-Leur zich genoodzaakt zag tot het doorvoeren van forse bezuinigingen ziet de voorzieningenrechter geen grond om de opheffing van de formatieplaats van verzoekster op grond van de noodzaak tot bezuinigen in twijfel te trekken. Gelet daarop en bij het gegeven dat verzoekster een tijdelijke aanstelling had zonder nadere aanstellinggrond die van rechtswege zou aflopen op 1 augustus 2010, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om voorlopig te oordelen dat het niet verlengen van de aanstelling in rechte geen stand zou kunnen houden.

3.5.4. In verband met de stelling van verzoekster dat haar een vaste aanstelling is toegezegd bij gelijkblijvend functioneren wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de Raad van 2 april 2004, LJN AO7753 en TAR 2004, 93, waarin de intrekking van een aanstelling van een beroepsmilitair vóór de ingangsdatum van het dienstverband vanwege bezuinigingen in rechte stand hield. Het is dus evenzeer denkbaar dat een toezegging van een vaste aanstelling doorkruist kan worden door de opheffing van een functie ten gevolge van een forse bezuinigingsnoodzaak. De voorzieningenrechter zal dus in het midden laten of jegens verzoekster een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan, die bij verzoekster de gerechtvaardigde verwachting op een vaste aanstelling liet ontstaan (CRvB 5 augustus, 2010, LJN BN4394).

4. Op grond van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat besluit 2 in rechte niet houdbaar is en wordt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb afgewezen.

5. Tenslotte acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2011.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) B. Bekkers.

RB