Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
10-3773 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Het is niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij daadwerkelijk herstel van zijn dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3773 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 maart 2010, 09/1404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen :

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 31 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2011. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Vastenburg, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en door A. Toullis en F.M. Voogt-Geitenbeek, beiden werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.H. Acun, advocaat te Breda.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting [regio] (hierna: PI [regio]). Op grond van een onderzoeksrapport van het bureau Integriteit en Veiligheid van de dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) heeft verzoeker de conclusie getrokken dat betrokkene zich tijdens het jaarlijkse sporttoernooi van DJI in september 2007 jegens collega’s en leidinggevenden onnodig grievend en beledigend heeft uitgelaten. Verzoeker is van opvatting dat betrokkene zich door uitlatingen van racistische en discriminatoire aard heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Bij besluit van 6 augustus 2008 is betrokkene daarom de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij besluit van 20 januari 2009 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank betrokkenes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat geen sprake was van plichtsverzuim dat een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij van mening is dat het gegeven onvoorwaardelijk strafontslag op juiste gronden is genomen, dat de aangevallen uitspraak daarom onjuist is en dus voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat een nieuwe beslissing op bezwaar, waartoe de rechtbank de opdracht heeft gegeven en om het nemen waarvan betrokkene heeft verzocht, de terugkeer van betrokkene op de werkvloer impliceert, acht verzoeker een schorsing van die opdracht noodzakelijk. Hij acht het namelijk niet gewenst dat betrokkene zal terugkeren bij de PI [regio] of in enige andere inrichting van DJI gelet op de impact van de uitlatingen van betrokkene op de collega’s van de DJI.

4. Betrokkene heeft het standpunt van verzoeker gemotiveerd weersproken. Hij is verder van opvatting dat hem niet of nauwelijks plichtsverzuim te verwijten is in verband met de gebeurtenissen tijdens de sportdag.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met betrokkene wordt hersteld, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter zal dus antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle zullen kunnen geschieden. In het kader van het nu gedane verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

5.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak vrij nauwkeurig de door haar als plichtsverzuim aangemerkte feiten - uitlatingen van betrokkene tijdens een sporttoernooi - heeft vastgesteld en gekwalificeerd. In het kader van deze procedure, die zich niet leent voor een uitgebreid feitenonderzoek, neemt de voorzieningenrechter dit als uitgangspunt. De rechtbank heeft niet onbegrijpelijk gesteld dat de uitlatingen in het algemeen bijzonder kwalijk zijn en dat het doen van die uitlatingen plichtsverzuim oplevert. Nadat de rechtbank vervolgens heeft vastgesteld dat dit gedrag aan betrokkene was toe te rekenen - welk oordeel hier wordt overgenomen -, heeft zij uitvoerig gemotiveerd waarom de bijzondere omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn gedaan, maken, dat niet tot de conclusie gekomen kan worden dat in dit geval sprake is van een plichtsverzuim van zodanig aard en ernst dat een onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is te achten.

5.5. De rechtbank heeft de juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Kennelijk heeft zij vervolgens niet alleen tot uitgangspunt genomen dat de Raad (streng) tuchtrechtelijk optreden tegen ernstige integriteitsschendingen in rechte veelal houdbaar acht, maar ook dat daarbij de omstandigheden van het geval niet uit het oog mogen worden verloren. Het komt de voorzieningenrechter niet onjuist voor dat de rechtbank gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de uitlatingen zijn gedaan tijdens een voetbalwedstrijd op een sporttoernooi van DJI, dat sprake was van één moment van frustratie bij betrokkene en dat slechts twee collega’s de uitlatingen hebben gehoord, terwijl eerder vergelijkbaar gedrag bij betrokkene niet is geconstateerd.

5.6. Daarmee is het niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening.

5.7. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij daadwerkelijk herstel van zijn dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat hij er niet van overtuigd is geworden dat de uitlatingen een zodanige impact hebben gehad dat betrokkene niet bij enige DJI-inrichting aan het werk zou kunnen, als tewerkstelling bij de PI [regio] al geheel uitgesloten moet worden geacht.

6. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene begroot op € 437,-, aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C. Nijholt.

IJ