Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
10/3703 WWB + 10/3709 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Niet of onvoldoende nakomen van de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3703 WWB

10/3709 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 juni 2010, 09/2008, 10/122 en 10/526 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ing. W.T. van der Leij, kantoorhoudende te Langweer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.D. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 maart 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk

en bijstand (WWB). Bij brief van 9 juni 2005 heeft het College aan appellant meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem van toepassing zijn.

1.2.1. In opdracht van het College heeft re-integratiebedrijf FourstaR Noord (hierna:

FourstaR) op 23 oktober 2007 voor appellant een re-integratieplan opgesteld met als doel uitstroom naar regulier werk. In dit plan is vermeld dat appellant voor 40 uur per week beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, dat er sprake zal zijn van individuele bemiddeling door FourstaR in de periode van 1 november 2007 tot 1 november 2009, dat appellant in de gelegenheid wordt gesteld tot het volgen van een werkstage met behoud van uitkering en dat, wanneer appellant aansluitend aan de werkstage bij de stagewerkgever of een andere reguliere werkgever in dienst kan treden, een loonkostensubsidie kan worden verstrekt. Appellant heeft vervolgens in de periode van 2 januari 2008 tot en met 1 juli 2008 een werkstage doorlopen bij [naam restaurant] te [vestigingsplaats]. Deze werkstage is niet omgezet in een dienstbetrekking. Uit een brief van 5 december 2008 van de nazorgconsulent van FourstaR (hierna: nazorgconsulent) blijkt dat in een gesprek op 4 december 2008 tussen appellant, de nazorgconsulent en de Casemanager Werk is overeengekomen dat appellant, gelet op zijn wens om als kok werkzaam te zijn, op zoek gaat naar een werkgever in de horeca en dat FourstaR hem daarbij zal begeleiden. Appellant heeft bij brief van 10 januari 2008 aan de nazorgconsulent meegedeeld dat hij in aanmerking wil komen voor een volgende leer/werkstage met of zonder loonkostensubsidie. In een voortgangsrapportage van 2 maart 2009 wordt vermeld dat appellant de tijdens het gesprek op 4 december 2008 gemaakte afspraken niet is nagekomen, dat aan hem een arbeidsovereenkomst bij FourstaR (hierna: arbeidsovereenkomst) is aangeboden en dat appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 9 februari 2009 om de arbeidsovereenkomst te ondertekenen.

1.2.2. Appellant is, met bericht vooraf, niet op het gesprek van 9 februari 2009 verschenen. Bij brief van 10 februari 2009 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 13 februari 2009, waar appellant wederom, met bericht vooraf, niet is verschenen. Nadat vervolgens de arbeidsovereenkomst op diens verzoek aan appellant is toegezonden en appellant bij brief van 17 februari 2009 wederom is uitgenodigd voor een gesprek, ditmaal op 25 februari 2009, heeft appellant bij brief van 22 februari 2009 aan FourstaR meegedeeld de aan hem aangeboden arbeidsovereenkomst vanwege de onzorgvuldigheden daarin niet te ondertekenen. Bij brief van 26 februari 2009 heeft het College appellant meegedeeld voornemens te zijn een maatregel op te leggen van 20% gedurende een maand, omdat appellant op het gesprek van 25 februari 2009 niet is verschenen, en hem voorts uitgenodigd voor een gesprek op 6 maart 2009. Appellant is, zonder opgaaf van redenen, niet op het gesprek van 6 maart 2009 verschenen.

1.2.3. Het College heeft in de onder 1.2.2 genoemde feiten aanleiding gezien bij besluit van 6 maart 2009 met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2009 te verlagen met 20% gedurende een maand. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

1.3.1. Appellant is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 2 september 2009 om de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Appellant is, met bericht vooraf, niet verschenen. Appellant is daarna opgeroepen voor een gesprek op 11 september 2009, waar appellant, zonder bericht vooraf, niet is verschenen. Vervolgens is appellant bij brief van 16 september 2009 uitgenodigd voor een gesprek op 29 september 2009. Appellant is op 29 september 2009 verschenen, maar heeft in dat gesprek volhard in zijn bedenkingen en de arbeidsovereenkomst niet ondertekend.

1.3.2. In de onder 1.3.1 genoemde feiten heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 12 oktober 2009 met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2009 te verlagen met 40% gedurende een maand op de grond dat appellant niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij overwogen dat bij het opleggen van de maatregel rekening is gehouden met recidive.

1.4.1. Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2009 ongegrond verklaard.

1.4.2. Bij besluit van 30 december 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang -, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 23 juli 2009 ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 30 december 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bij besluit van 30 december 2009 gehandhaafde maatregel van 40% gedurende een maand niet in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Leeuwarden (hierna: Afstemmingsverordening), nu niet de duur van de eerder opgelegde maatregel, maar de hoogte van de maatregel is verdubbeld. De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat een verlaging van de uitkering met 40% gedurende een maand op hetzelfde neerkomt als een verlaging van de uitkering van 20% gedurende twee maanden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 23 juli 2009 ongegrond is verklaard (geregistreerd onder nummer 10/3703 WWB) en voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 december 2009 in stand zijn gelaten (geregistreerd onder nummer 10/3709 WWB).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening.

Ten aanzien van het hoger beroep geregistreerd onder nummer 10/3703 WWB

4.3. Appellant heeft de onder 1.2.2 genoemde feiten niet bestreden. Voorts wordt niet bestreden dat appellant de verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet is nagekomen.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat hem het niet nakomen van de verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet te verwijten valt. Appellant stelt in dat verband dat in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te ondertekenen, omdat enkele bepalingen uit die overeenkomst te ruim of onduidelijk zijn. Appellant stelt zich daarbij met name op het standpunt dat geen sprake is van een concrete functieomschrijving. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Ten aanzien van de functieomschrijving is in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst bepaald dat de werknemer met ingang van 15 februari 2009 parttime in dienst treedt van de werkgever in de functie van algemeen medewerker en dat het een parttime dienstverband betreft op basis van een 32-urige werkweek. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de functie van algemeen medewerker zodanig onduidelijk is, dat daaruit niet kan worden afgeleid welke werkzaamheden appellant dient te verrichten. Daarbij laat de Raad meewegen dat de functieaanduiding ‘algemeen medewerker’ in arbeidsovereenkomsten een gangbare aanduiding is. Voorts acht de Raad van belang dat uit het onder 1.2.1 genoemde trajectplan blijkt dat appellant in de periode 2002 tot 2006 in de functie van algemeen medewerker voor diverse bedrijven heeft gewerkt. Zo bij appellant onduidelijkheid bestond over de inhoud van de functie die hem werd aangeboden had hij verduidelijking kunnen vragen, hetgeen hij niet heeft gedaan. De Raad ziet ook in hetgeen appellant ten aanzien van de overige bepalingen in de arbeidsovereenkomst heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van zodanige onduidelijkheden of onjuistheden dat het in redelijkheid niet van appellant gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Aan de stelling van appellant dat hij in een civielrechtelijke relatie niet gehouden is een aan hem aangeboden arbeidsovereenkomst te ondertekenen gaat de Raad voorbij, reeds omdat het in de onderhavige procedure een andere - bestuursrechtelijke - rechtsbetrekking betreft. Appellant is op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, en in dat kader gehouden de hem aangeboden arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Voor de stelling van appellant dat gelet op de voorgeschiedenis dit in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden vindt de Raad in hetgeen onder 1.2.1 is overwogen noch in de gedingstukken aanknopingspunten.

4.5. Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen volgt dat niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant te verlagen.

4.6. Appellant heeft aangevoerd dat de opgelegde maatregel niet in overeenstemming is met de Afstemmingsverordening. Appellant stelt in dit verband dat aan het besluit van 6 maart 2009, gelet op de onder 1.2.2 genoemde brief van 26 februari 2009, enkel feitelijk ten grondslag kon worden gelegd dat hij op meerdere afspraken niet was verschenen, en voorts dat deze gedragingen dienen te worden gekwalificeerd als een niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 10, aanhef en onder 2, sub b, van de Afstemmingsverordening. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Uit de brief van 26 februari 2009 in samenhang met de daaraan voorafgaande, onder 1.2.2 genoemde, uitnodigingsbrieven kan worden opgemaakt dat de daarin met appellant gemaakte afspraken ertoe dienden om appellant in de gelegenheid te stellen de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Nu appellant niet op de in de uitnodigingsbrieven genoemde gesprekken is verschenen, heeft hij niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. De Raad is dan ook van oordeel dat het College het niet ondertekenen van de arbeidsovereenkomst mede aan het besluit van 6 maart 2009 ten grondslag heeft kunnen leggen. Voorts is de Raad van oordeel dat het College de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde gedragingen terecht heeft aangemerkt als gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 10, aanhef en onder 3, sub b, van de Afstemmingsverordening.

4.7. Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat het College de maatregel overeenkomstig de Afstemmingsverordening heeft opgelegd geen andere dan de onder 4.6 genoemde gronden aangevoerd.

Ten aanzien van het hoger beroep geregistreerd onder nummer 10/3709 WWB

4.8. Niet in geschil is dat appellant de verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet is nagekomen en dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant te verlagen.

4.9. Appellant heeft enkel aangevoerd dat geen sprake is van recidive. Appellant stelt in dit verband dat slechts sprake is van volharding in een gedraging waarvoor hij al bij besluit van 6 maart 2009, welk besluit is gehandhaafd bij besluit van 23 juli 2009, is gesanctioneerd en dat daarom niet nog een keer een maatregel, die volgens appellant als punitief moet worden aangemerkt, opgelegd kan worden.

4.10. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in deze stelling. Het niet verschijnen op het gesprek van 11 september 2009, het, tijdens het gesprek van 29 september 2009, volharden in zijn standpunt dat hij bedenkingen heeft tegen het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst en het wederom niet ondertekenen van de aan hem aangeboden arbeidsovereenkomst, zijn ten opzichte van de gedragingen waarvoor in de procedure met nummer 10/3703 WWB een maatregel is opgelegd nieuwe maatregelwaardige gedragingen. Het gaat immers om nieuwe uitnodigingen voor een gesprek en het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst, en gelet daarop op een nieuwe weigering de arbeidsovereenkomst te ondertekenen.

4.11. Wat betreft de stelling van appellant dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een punitieve sanctie stelt de Raad vast dat in overeenstemming met vaste jurisprudentie van de Raad de in dit geval opgelegde verlaging niet kan worden aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.11 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) K. Moaddine.

IJ