Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
09-2596 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante niet voldeed aan de bij de uitoefening van de functie redelijkerwijs aan haar te stellen eisen en verwachtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2596 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 maart 2009, 08/1137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 27 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Appellante is verschenen. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was met ingang van 1 augustus 2006 met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met een proeftijd van ten hoogste twee jaar aangesteld als chef van de sectie [naam sectie] van de directie Bedrijfsvoering van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.2. Bij besluit van 28 september 2007 heeft de minister appellante met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het ARAR ingaande 1 januari 2008 ontslag verleend. Reden voor het ontslag is dat appellante niet aan de functie-eisen voldoet. Bij het bestreden besluit van 4 maart 2008 heeft de minister dit ontslagbesluit na door appellante gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stemt in met het oordeel van de rechtbank dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet voldeed aan de bij de uitoefening van de functie redelijkerwijs aan haar te stellen eisen en verwachtingen. Ook met de vrij uitvoerige overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht kan de Raad zich op hoofdlijnen geheel verenigen.

3.2. Mede gelet op hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht merkt de Raad nog het volgende op. Volgens appellante is zij aangesteld in een functie van beheermanager maar bleek het in de praktijk te gaan om een functie van verandermanager. In dit verband wijst de Raad erop dat appellante zelf in haar bezwaarschrift tegen het besluit van 28 september 2007 schrijft dat in het in maart 2006 gehouden arbeidsvoorwaardengesprek tegenover haar werd benadrukt dat de afdeling in woelige tijden verkeerde en dat het noodzakelijk was het beheer op orde te krijgen en samenbindend leiderschap te tonen. Tevens is van belang dat in het verslag van het functioneringsgesprek van 13 december 2006 is vermeld dat appellante manager is van een veranderproject. Niet blijkt dat dit niet de instemming van appellante kon vinden. Uit een en ander is niet op te maken dat de functie een duidelijk ander karakter had dan waarvan appellante bij haar aanstelling kon uitgaan. Verder is de Raad van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de minister geen kwaliteiten en competenties van appellante vroeg die verder gingen dan wat in dit geval als redelijk is te beschouwen.

3.3. Op verzoek van haar leidinggevende heeft appellante in februari 2007 een “strijdplan” (persoonlijk ontwikkelplan) opgesteld. Weliswaar heeft appellante gesteld dat zij dit heeft gedaan omdat zij de zaken niet op de spits wilde drijven, maar de Raad meent er van te kunnen uitgaan dat appellante niet tot het opstellen van dit plan was overgegaan, als zij had gemeend dat haar functioneren nauwelijks verbetering behoefde. Het plan heeft kennelijk niet tot voldoende resultaat geleid.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en B.J. van de Griend en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M. Nijholt.

HD