Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
08-5455 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering. Dit besluit gebaseerd op het standpunt dat appellant niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om via scholing of andere activiteiten zijn kansen te vergroten om weer zelf in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ter zake van deze gedraging ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5455 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 september 2008, 08/494 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Merken, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Met het oog op de daaraan verbonden arbeidsverplichtingen is appellant bij brief van 19 september 2007 uitgenodigd voor de Landelijke Banenmarkt 2007 op 29 september 2007. Op 17 oktober 2007 is met appellant een gesprek gevoerd om te onderzoeken wat de banenmarkt aan resultaten opgeleverd heeft. In dit gesprek heeft appellant aangegeven dat hij de banenmarkt bezocht heeft, maar dat hij daarna geen actie meer heeft ondernomen. Gelet op de hoeveelheid aan vacatures en het passieve gedrag van appellant heeft het College een maatregel passend geacht.

1.2. Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007 met 50% verlaagd. Bij besluit van 12 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de overwegingen die aan het besluit van 12 maart 2008 ten grondslag zijn gelegd, heeft het College dit besluit gebaseerd op het standpunt dat appellant niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om via scholing of andere activiteiten zijn kansen te vergroten om weer zelf in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.

4.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.3. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4. In de artikelen 6 en 7 van de Afstemmingsverordening WWB 2007 van de gemeente Maastricht (hierna: Afstemmingsverordening) worden de gedragingen ten aanzien waarvan de bijstand wordt verlaagd onderscheiden in categorieën en wordt de omvang van de verlaging nader bepaald.

4.5. Op grond van de stukken acht de Raad voldoende grond aanwezig voor het oordeel dat appellant in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling. In de uitnodiging voor de banenmarkt is uitdrukkelijk vermeld dat appellant minimaal 5 CV’s mee moest nemen om achter te kunnen laten bij potentiële werkgevers en dat kort na het bezoek aan de banenmarkt een uitnodiging zou volgen om de resultaten van de banenmarkt te bespreken. Daarnaast is appellant er in de uitnodiging op gewezen dat het bezoek aan de banenmarkt niet vrijblijvend is en dat hij ingevolge het eerste lid van artikel 9 van de WWB verplicht is aan de banenmarkt medewerking te verlenen en dat bij onvoldoende medewerking onderzocht zal worden of dit gevolgen heeft. De Raad volgt appellant daarom niet in zijn opvatting dat niet duidelijk was welke activiteiten op de banenmarkt van hem werden verwacht. De Raad is met het College van oordeel dat appellant door wel de banenmarkt te bezoeken, maar daar niet of nauwelijks activiteiten te ontplooien en nadien stil te zitten onvoldoende heeft meegewerkt aan de banenmarkt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ter zake van deze gedraging ontbreekt.

4.6. De Raad is van oordeel dat het College de gedraging van appellant terecht heeft gekwalificeerd als een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening wordt in dat geval de bijstand verlaagd met 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

4.7. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond om te oordelen dat sprake is van dringende reden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Afstemmingsverordening, zodat het College niet bevoegd was van het opleggen van een verlaging af te zien. De hoogte van de opgelegde maatregel is door appellant niet bestreden.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

HD