Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
09-2683 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2683 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 april 2009, 07/1032 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 december 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 januari 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij stond tot en met 31 juli 2005 ingeschreven op het adres [adres 1] te [naam gemeente], op welk adres een zogeheten nomadenkamp is gevestigd.

1.2. Naar aanleiding van een dossier van de Regiopolitie Groningen betreffende grootschalige hennepteelt en hennephandel op het adres [adres 1] heeft de Afdeling Sociale Recherche van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is appellante als verdachte verhoord en is een getuige gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal en een rapport van de sociale recherche van 6 september 2005.

1.3. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 29 september 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2005 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van haar terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 8.886,50. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding bij het College te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [H.].

1.4. Hangende het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar, heeft de sociale recherche nog een aantal door appellante opgegeven getuigen gehoord.

1.5. Bij besluit van 11 september 2007 heeft het College beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 september 2005. Daarbij is laatstgenoemd besluit gehandhaafd, met dien verstande dat de grondslag daarvan is gewijzigd. Deze gewijzigde grondslag houdt in dat appellante in de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 juli 2005 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 1]. Door dit niet te melden heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 11 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd, onder verwijzing naar de door haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden, primair dat zij in de in geding zijnde periode wel haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 1] en subsidiair, voor het geval haar primaire grond wordt verworpen, dat het College er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat zij in die periode voor kortere of langere tijd in aanmerking had kunnen komen voor een zogeheten zwerversuitkering.

4. De Raad komt, zich beperkend tot de aangevoerde gronden, tot de volgende beoordeling.

4.1. Het primaire standpunt van appellante.

4.1.1. Appellante heeft tegenover de sociale recherche tijdens haar eerste verhoor op 22 augustus 2005 onder meer het volgende verklaard: “Ik woonde eerst (…) in een woonboot. Er zijn daar alleen een paar lijken aangespoeld, waardoor ik mij daar niet meer goed voelde. Ik ben toen gaan rondzwerven en slaap bij verschillende mensen. Ik ben wel aan de [adres 2] of camping [naam camping] in [naam gemeente] en camping [naam camping 2] aan het [adres 3], [adres 4] en de woning die daarboven is en de [adres 1] natuurlijk. (…) Ik zal u zeggen hoe vaak ik per week waar slaap en verblijf. Ik ben ongeveer 3 dagen per week op camping [naam camping] en 2 dagen aan de Borgwal en 1 dag op camping [naam camping 2]. U zegt mij dat ik dus niet aan de [adres 1] woon. Dat klopt wel. (…)” Tijdens haar tweede verhoor heeft appellante onder meer het volgende verklaard: “U vraagt mij waarom ik ingeschreven sta aan de [adres 1] in [naam gemeente]. Ik had de intentie wel om daar te gaan wonen, maar het kwam er gewoon niet van.”

4.1.2. Appellante heeft derhalve zelf tegenover de sociale recherche verklaard dat zij niet woonachtig was op het adres waar ze stond ingeschreven. Deze verklaring vindt steun in de getuigenverklaringen, in het bijzonder die van [naam getuige], luidende, voor zover hier van belang: “Zij was zwervende en af en toe verbleef ze bij mij. (…) [appellante] liep altijd met een tasje, dan sliep ze hier en dan sliep ze daar.”

4.1.3. Reeds gelet op de verklaring van appellante en de verklaring van [naam getuige] is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende steun bieden voor de conclusie dat appellante ten tijde hier in geding niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres [adres 1] te [naam gemeente].

4.2. Het subsidiaire standpunt van appellante.

4.2.1. De Raad heeft al eerder geoordeeld (zie de uitspraken van de Raad van 4 maart 2008, LJN BC5857, en 26 mei 2009, LJN BI7114) dat wanneer een bestuursorgaan in een situatie als deze tot de slotsom komt dat betrokkene niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, het niet op de weg van het bestuursorgaan ligt om vervolgens ambtshalve te onderzoeken of betrokkene wellicht als adresloze in aanmerking had kunnen worden gebracht voor verlening van bijstand. In het onderhavige geval is dat niet anders, waarbij voorts nog in aanmerking moet worden genomen dat appellante tekortgeschoten is in de nakoming van de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting ter zake van haar feitelijk woonadres en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD