Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
10-2215 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ZW-dagloon is juist. Voor de vaststelling van het dagloon is terecht uitgegaan van 16 april 2009 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Uit artikel 29a, vierde lid, van de Zw blijkt dat de dag aansluitend aan het bevallingsverlof als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2215 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2010, 09/2667 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. D. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Per 1 oktober 2008 is de arbeidsovereenkomst die appellante had met haar toenmalige werkgever van rechtswege geëindigd. Bij besluit van 18 december 2008 heeft het Uwv per 25 december 2008 uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg (Wazo) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 63,90.

1.2. Appellante heeft zich per 16 april 2009 ziek gemeld met zwangerschaps- en bevallingsklachten (bekkeninstabiliteit). Bij primair besluit van 5 mei 2009 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 16 april 2009 een uitkering krachtens de Ziektewet (Zw) toegekend. Het dagloon is vastgesteld op € 53,09.

1.3. Bij besluit van 8 juli 2009 is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat het dagloon is vastgesteld op € 56,93.

1.4. Appellante heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat er voor de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van 16 april 2009 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat het op € 56,93 vastgestelde dagloon correct is. Uit artikel 29a, vierde lid, van de Zw blijkt dat de dag aansluitend aan het bevallingsverlof als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt.

2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ze het niet eens is met de hoogte van het dagloon. Nu er sprake is van ziekte door dezelfde oorzaak voor en na het bevallingsverlof, dient het dagloon voor en na het verlof ook dezelfde hoogte te hebben. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er met betrekking tot de ziekteperiode na het bevallingsverlof een nieuwe wachttijd gaat lopen en heeft ten onrechte aangenomen dat er derhalve sprake is van een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. In hoger beroep heeft appellante volstaan met herhaling van de door haar in beroep aangevoerde en door de rechtbank in de aangevallen uitspraak besproken gronden, echter, zonder aan te geven waarom naar haar opvatting het oordeel van de rechtbank over die gronden onjuist is. De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden op juiste wijze heeft besproken en op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

4. Uit hetgeen onder 3.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

NW