Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
10-79 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoogte van de uitkering. Met juistheid heeft de rechtbank erop gewezen dat weliswaar de formele arbeidsomvang per 10 maart 2004 is uitgebreid van 30 uren naar 36 uren per week, maar dat - kort gezegd - aan deze uitbreiding realiteitswaarde ontbreekt. Appellant heeft naar de rechtbank met juistheid heeft aangenomen feitelijk nauwelijks invulling aan deze uitbreiding gegeven. De Raad wijst er in dit verband overigens op dat aan deze uitbreiding - appellant is een zogenoemde WSW-werknemer - geen indicatiestelling ten grondslag lag. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat appellant vanaf het moment van het verhogen van zijn arbeidsomvang ongeschikt was deze werkzaamheden in deze omvang te verrichten en dat deze uitbreiding bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering buiten beschouwing dient te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/79 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 november 2009, 08/5558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 november 2008 heeft het Uwv, opnieuw beslissend op bezwaar, vastgesteld dat appellant per

2 oktober 2006 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Aan appellant is per die datum een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De hoogte van de uitkering is vastgesteld op een bedrag per maand van € 407,57, inclusief 8% vakantiegeld. Aan de vaststelling van dit bedrag liggen mede ten grondslag de verdiensten van appellant gedurende 30 uren per week bij werkgever [naam wergever]. Het dagloon van appellant is vastgesteld op een bedrag van € 66,54.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 november 2008 - voor zover hier van belang - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de hoogte van de uitkering bepaald op € 423,09 inclusief 8% vakantietoeslag en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Hiertoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat het Uwv terecht bij de berekening van de hoogte van de uitkering als uitgangspunt heeft gehanteerd dat appellant gedurende 30 uren per week werkzaam was en niet gedurende 36 uren per week.

Vernietiging van het besluit van 19 november 2008 en vaststelling van de hoogte van de uitkering heeft plaatsgevonden omdat het Uwv heeft aangegeven dat het dagloon en daarmee de hoogte van de uitkering op een te laag bedrag is vastgesteld.

2.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat ten onrechte aan de berekening van de hoogte van zijn uitkering ten grondslag is gelegd dat hij 30 uren per week werkzaam was. Naar zijn stelling was hij voor 36 uren per week werkzaam.

2.2. Appellant acht het voorts onjuist dat toepassing heeft plaatsgevonden van artikel 4 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit).

2.3. Appellant acht het daarenboven onjuist dat vernietiging van het besluit van 19 november 2008 heeft plaatsgevonden op een grond die niet door hem is ingediend.

3.1. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat aan de berekening van de hoogte van zijn uitkering ten onrechte het uitgangspunt ten grondslag is gelegd dat hij 30 uren per week werkzaam is geweest. Met juistheid heeft de rechtbank erop gewezen dat weliswaar de formele arbeidsomvang per 10 maart 2004 is uitgebreid van 30 uren naar 36 uren per week, maar dat - kort gezegd - aan deze uitbreiding realiteitswaarde ontbreekt. Appellant heeft naar de rechtbank met juistheid heeft aangenomen feitelijk nauwelijks invulling aan deze uitbreiding gegeven. De Raad wijst er in dit verband overigens op dat aan deze uitbreiding - appellant is een zogenoemde WSW-werknemer - geen indicatiestelling ten grondslag lag.

Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat appellant vanaf het moment van het verhogen van zijn arbeidsomvang ongeschikt was deze werkzaamheden in deze omvang te verrichten en dat deze uitbreiding bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering buiten beschouwing dient te blijven.

3.2. De beroepsgrond van appellant die ziet op de toepassing van artikel 4 van het Besluit miskent dat het besluit van

19 november 2008 niet op toepassing van dat artikel berust. Reeds hierom treft deze grond geen doel.

3.3. De Raad volgt appellant niet in zijn beroepsgrond dat de rechtbank met zijn oordeel omtrent de hoogte van het dagloon buiten de omvang van het geschil is getreden. Wat er ook zij van het standpunt van appellant nu hij in beroep de hoogte van het dagloon en de daarop gebaseerde uitkering heeft bestreden, kan deze grond niet tot het door appellant beoogde doel - een verdere verhoging van het dagloon en de daarop gebaseerde uitkering - leiden. Reeds hierom treft deze grond geen doel.

4.1. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak, voor zover aanvgevochten, dient te worden bevestigd.

4.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR