Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
10-2323 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking bijstandsuitkering wegens uitgekeerd bedrag ter zake van afkoop van ouderdomspensioen. Het College had de afkoopsom moeten aanmerken als vermogen in plaats van inkomen. Geen overschrijding vermogensgrens. Toekenning vergoeding wettelijke rente wegens te late betaling bijstand. 2) Overgangsrecht Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Niet tijdig beslissen op bezwaar na opdracht van de rechtbank. De Raad stelt maximale dwangsom vast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/74 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
RSV 2011/102
NJB 2011, 429
ABkort 2011/97
USZ 2011/84 met annotatie van C. Lagerweij-Duits
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2323 WWB

10/3689 WWB

10/4137 WWB

10/4334 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 maart 2010, 09/2008 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

het College

Datum uitspraak: 25 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft bij de rechtbank Maastricht beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden naar de Raad.

Het College heeft een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 8 juli 2010, aan de Raad gezonden. Betrokkene heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Raad.

Betrokkene heeft voorts beroep bij de Raad ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek om een dwangsombeschikking te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door L.W.B. Heuts en P. Kalmar, beiden werkzaam bij de gemeente Maastricht. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt vanaf 10 juli 2009 een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. De Stichting Pensioenfonds VNU heeft aan betrokkene een uitkering verstrekt ter zake van afkoop van ouderdomspensioen tot een bedrag van € 1.038,09. Dit bedrag is op 1 juli 2009 aan betrokkene uitbetaald. Betrokkene had toen de leeftijd van 38 jaar.

1.3. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het College de bijstand van betrokkene over de maand juli 2009 ingetrokken op de grond dat betrokkene, gelet op de hoogte van de pensioenuitkering die hij in die maand heeft ontvangen, geen recht heeft op bijstand. Appellant heeft daartegen bij brief van 26 augustus 2009 bezwaar gemaakt.

1.4. Betrokkene heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.

1.5. Bij besluit van 27 november 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling inzake de vergoeding van het griffierecht, het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van

27 november 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld - samengevat - dat de pensioenuitkering dient te worden aangemerkt als vermogen waarover betrokkene kan beschikken en niet, zoals het College heeft gedaan, als inkomen van betrokkene over de maand juli 2009.

3. Het College heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Bij brief van 10 mei 2010 heeft betrokkene het College in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Tevens heeft betrokkene bij brief van 17 juni 2010 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. Dit beroep, dat door de rechtbank aan de Raad is doorgezonden zal, met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling worden betrokken.

5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 8 juli 2010 opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2009 beslist. Het bezwaar is wederom ongegrond verklaard. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling zal worden betrokken. Daarbij wordt tevens betrokken het tegen dat besluit gerichte beroepschrift van 14 juli 2010, waarmee betrokkene dit nieuwe besluit gemotiveerd heeft bestreden.

6. Betrokkene heeft op 28 juli 2010 bij de Raad beroep ingesteld tegen het uitblijven van een dwangsombeschikking van het College.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1. Met betrekking tot het hoger beroep van het College tegen de aangevallen uitspraak overweegt de Raad het volgende, waarbij hij voor de tekst van de hier van belang zijnde bepalingen van de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraak.

7.1.1. In dit geding staat tussen partijen vast - en ook de Raad gaat overeenkomstig zijn uitspraak van 13 mei 2003, LJN AF8845, daarvan uit - dat middelen die zijn verkregen als gevolg van afkoop ineens van pensioen naar hun aard overeenkomen met inkomen in verband met arbeid. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag voor welke periode de pensioenuitkering geacht moet worden bestemd te zijn. Het College stelt zich op het standpunt dat de pensioenuitkering in de maand juli 2009 door betrokkene is ontvangen, dat betrokkene die uitkering in die maand voor zijn levensonderhoud kon inzetten en dat deze uitkering derhalve voor de toepassing van de WWB in die maand als inkomen in aanmerking moet worden genomen. Betrokkene is van mening dat de pensioenuitkering is bestemd als voorziening voor de kosten van levensonderhoud vanaf zijn 65e levensjaar en dus niet kon worden toegerekend aan de maand juli 2009.

7.1.2. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het College er ten onrechte vanuit is gegaan dat de pensioenuitkering in aanmerking dient te worden genomen in de periode waarin deze beschikbaar kwam en (dus) kon worden ingezet voor de bestrijding van de kosten van het bestaan in de maand juli 2009. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad volgt dat niet de beschikbaarheid van de gelden bepalend is, maar dat moet worden vastgesteld voor welke periode het pensioen geacht moet worden bestemd te zijn. Vaststaat dat het in dit geval gaat om een ouderdomspensioen dat is bestemd voor de periode die aanvangt met het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

7.1.3. Ter zitting van de Raad heeft het College zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroepen op de uitspraak van de Raad van 22 februari 2006, LJN AV8808, waarin de Raad heeft geoordeeld dat de door de werkgever bij de beëindiging van het dienstverband uitbetaalde vergoeding ter zake van niet opgenomen vakantiedagen moet worden toegerekend aan de maand van uitbetaling en niet aan de periode waarin sprake was van een dienstverband. Die uitspraak brengt de Raad in deze zaak niet tot een ander oordeel. De Raad heeft in die uitspraak, onder verwijzing naar artikel 7:641, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en/of de in het voorliggende geval geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst, immers geoordeeld dat aanspraak op deze vergoeding pas ontstaat bij de beëindiging van de dienstbetrekking. Eerst dan wordt een loon bepaald, en wel over een tijdvak dat overeenkomt met het totaal van de niet opgenomen vakantiedagen, zodat sprake is van loon over de maand van uitbetaling. Dat loon moet derhalve aan die maand worden toegerekend. Het beroep dat het College heeft gedaan op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2008, LJN BG1710, treft evenmin doel. De Raad acht het in die zaak beoordeelde geval evenmin vergelijkbaar met het onderhavige, omdat in die zaak sprake was van uitgesteld inkomen uit een WAZ-uitkering over een gemarkeerde periode waarin die uitkering niet tot uitbetaling was gekomen.

7.1.4. Het voorgaande betekent dat het hier aan de orde zijnde pensioen moet worden toegerekend aan een in de toekomst gelegen periode en dus geen betrekking heeft op een periode waarover een beroep op de bijstand is gedaan. Het pensioen is derhalve door het College ten onrechte beschouwd als inkomen dat in de maand juli 2009 in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van het recht op bijstand van betrokkene.

7.1.5. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7.2. Met betrekking tot het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 juli 2010 overweegt de Raad het volgende.

7.2.1. Het besluit op bezwaar van 8 juli 2010 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak berust in wezen op dezelfde gronden als neergelegd in het besluit van 27 november 2009. Het lijdt daarom aan hetzelfde gebrek als het door de rechtbank vernietigde besluit van 27 november 2009. Uit hetgeen onder 7.1 is overwogen volgt dat het College met dit besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen, door de Raad te bevestigen, uitspraak. De Raad zal daarom het beroep tegen het besluit van 8 juli 2010 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering.

7.2.2. Ter zitting van de Raad is gebleken dat, indien het in geding zijnde afkoopbedrag moet worden aangemerkt als vermogen, dit er niet toe leidt dat het vermogen van appellant uitkomt boven de voor hem (destijds) geldende grens van het vrij te laten vermogen. Onder die omstandigheden hebben partijen ingestemd met een finale beslechting van dit geschil. Gelet daarop ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 25 augustus 2009 te herroepen.

7.2.3. Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente wegens te late uitbetaling van het door het College verschuldigde bedrag van de bijstand. Dat verzoek komt voor toewijzing in aanmerking. Het College dient bij de als gevolg van deze uitspraak aan betrokkene te verrichten betaling het bedrag van deze rente vast te stellen en uit te betalen. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is zij verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betaling had moeten plaatsvinden tot aan de dag van algehele voldoening. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag, waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

7.3. Met betrekking tot het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar ter uitvoering van de aangevallen uitspraak overweegt de Raad het volgende.

7.3.1. Het College heeft op 8 juli 2010 alsnog op het bezwaar beslist. De Raad is van oordeel dat betrokkene niettemin belang heeft gehouden bij een beoordeling door de Raad van het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een nieuw besluit, aangezien hij het College ter zake in gebreke heeft gesteld en de Raad heeft verzocht om vaststelling van het bedrag van de volgens betrokkene door het College verbeurde dwangsom.

7.3.2. De Raad stelt vast - zoals het College ter zitting van de Raad heeft erkend - dat het College niet tijdig (opnieuw) op het bezwaar heeft beslist. De Raad zal daarom het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

7.4. Met betrekking tot het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking overweegt de Raad het volgende.

7.4.1. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,-- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,-- per dag en de overige dagen € 40,-- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

7.4.2. Ingevolge artikel 4:18, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

7.4.3. Ingevolge artikel 8:55c, tweede lid, van de Awb, in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge artikel 4:17 verbeurde dwangsom vast.

7.4.4. Uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat de artikelen 4:17 en 4:18 van de Awb ook van toepassing zijn op besluiten op bezwaar.

7.4.5. De onder 7.4.1 tot en met 7.4.3 geciteerde bepalingen van de Awb zijn in werking getreden op 1 oktober 2009. Ingevolge artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009, 383) blijft, voor zover hier van belang, op het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend voor dit tijdstip, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

7.4.6. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 25 augustus 2009 is ingediend voor 1 oktober 2009. De aangevallen uitspraak is echter gedaan na dat tijdstip. Met die uitspraak is een nieuwe termijn gaan lopen waarbinnen het College opnieuw diende te beslissen op het door betrokkene gemaakte bezwaar. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2010, LJN BN5684, is de Raad van oordeel dat redelijke toepassing van artikel III van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen er toe dient te leiden dat de onder 7.4.1 tot en met 7.4.3 genoemde bepalingen van de Awb van toepassing zijn op het beroep van betrokkene tegen het uitblijven van een nieuw besluit op dat bezwaar.

7.4.7. De Raad stelt vast dat het College in gebreke is gesteld, dat het geen dwangsombeschikking heeft genomen als bedoeld in artikel 4:18, eerste lid, van de Awb en dat de termijn voor het nemen van die beschikking verstreken is. De Raad zal daarom het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

7.5. Betrokkene heeft de Raad verzocht het College te veroordelen tot betaling van de maximale dwangsom van € 1.260,--, aangezien het College het nieuwe besluit op bezwaar heeft genomen met overschrijding van de maximale termijn van 42 dagen.

Het College heeft deze overschrijding ter zitting van de Raad erkend.

7.5.1. Tussen partijen is, gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad, niet in geschil dat de dwangsom in dit geval dient te worden berekend aan de hand van de in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb vermelde maximumtermijn van 42 dagen. De dwangsom bedraagt, met toepassing van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, € 1.260,--.

7.5.2. Zoals onder 7.3 is overwogen, heeft de Raad het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard. Daarom dient de vordering van betrokkene op voet van de onder 7.4.3 genoemde bepalingen te worden toegewezen.

De Raad zal de verschuldigdheid van het College tot betaling van het onder 7.5.1 genoemde bedrag aan betrokkene vaststellen.

8. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 41,20 voor in hoger beroep gemaakte reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juli 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 25 augustus 2009;

Verklaart het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om een dwangsombeschikking te nemen gegrond en vernietigt dat besluit;

Stelt de hoogte van de door het College aan appellant verschuldigde dwangsom vast op

€ 1.260,--;

Wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente toe tot een bedrag te berekenen op de wijze als in onderdeel 7.2.3 van deze uitspraak is bepaald;

Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 448,-- wordt geheven;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 41,20.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB