Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
09-1587 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Wat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies huishoudelijk medewerker (111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen (111334) betreft schaart de Raad zich achter het door het Uwv in hoger beroep verdedigde standpunt dat het verschil tussen die beide functies groot genoeg is om als twee verschillende functies te kunnen worden gehanteerd. De Raad vermag niet in te zien waarom de verplichting tot een eigen bijdrage in de kosten van een door het Uwv toe te kennen reguliere voorziening in het woon/werkvervoer per taxi in de weg zou moeten of kunnen staan aan het in het kader van de WAO passend achten van een functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1587 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 februari 2009, 07/2449 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2010 en - na heropening -

17 december 2010.

Op 23 juli 2010 is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Boon, en is voor het Uwv verschenen mr. A.E.G. de Jong. Op 17 december 2010 is appellante evenzeer in persoon verschenen, wederom bijgestaan door mr. Boon, en is voor het Uwv verschenen A. Ooms.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 juni 2007 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 september 2006 waarbij de aan haar laatstelijk een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer belopende WAO-uitkering per 6 november 2006 is ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak is ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen evenvermeld besluit op bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

2.2. Het Uwv heeft ten aanzien van appellante de juiste, in de FML van 4 mei 2007, neergelegde beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking genomen. Doorslaggevende betekenis komt toe aan de bevindingen van de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde zenuwarts D.H.J. Boeykens - zoals neergelegd in diens rapport van 19 maart 2008 en diens brief van 9 juli 2008 met reactie op het commentaar van appellante op dat rapport -, die zich heeft verenigd met de door de verzekeringsarts van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante. Voorts bestaat onvoldoende aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Raad waarin ligt besloten dat in beginsel wordt gevolgd het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige, in aanmerking genomen dat Boeykens zich heeft gebaseerd op eigen onderzoek, zich voorts heeft gebaseerd op de zich in het dossier bevindende medische informatie en zijn conclusies niet alleen heel helder alsook duidelijk heeft verwoord, maar tevens naar aanleiding van het commentaar van appellante op zijn rapport serieus heeft heroverwogen. In de verklaring van de appellante behandelend psychiater-psychotherapeut J.P.M. Gerards, die het duidelijk niet eens is met de conclusies van Boeykens, is geen aanleiding gelegen tot twijfel aan de juistheid van die conclusies. Dat appellante zich in de in de loop der jaren gegroeide dagelijkse praktijk volledig afhankelijk van anderen opstelt, leidt niet tot een ander oordeel. Met inachtneming van haar aldus vastgestelde medische beperkingen moet appellante in staat worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld haar in beroep bij de rechtbank naar voren gebrachte medische bezwaren als herhaald en ingelast te beschouwen en benadrukt dat enkele van haar door Boeykens erkende beperkingen ten onrechte niet alsnog in de FML zijn opgenomen. Dit geldt haar beperkte vermogen om de aandacht op één informatiebron te richten, haar beperkte vermogen om emotionele problemen van anderen te hanteren en haar onvermogen tot sociaal functioneren zowel persoonlijk als in haar gezin. Voorts heeft appellante aangevoerd dat van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies er twee - te weten huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen (111334) - zozeer op elkaar lijken dat zij als één functie dienen te worden aangemerkt met als gevolg dat de schatting wordt gedragen door slechts twee functies en zowel het besluit op bezwaar als de aangevallen uitspraak reeds daarom dient te worden vernietigd. Daartoe heeft appellante verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2009, LJN BH7244.

4. Het verhandelde ter zitting op 23 juli 2010 heeft de Raad aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en het Uwv te vragen om een reactie op het door appellante ingenomen standpunt dat zij niet in staat is tot zelfstandig woon/werkverkeer, zulks in het licht van de in de FML opgenomen beperking wat vervoer betreft (“aangewezen op hulp van anderen”) met daarbij als toelichting van de verzekeringsarts dat appellante geen auto durft te rijden, niet alleen met het openbaar vervoer durft en regelmatig de weg kwijtraakt. Daarbij heeft de Raad erop gewezen dat in het Handboek CBBS bij item 11.10 Vervoer is vermeld dat ingeval van geconstateerde beperkingen een specificatie is vereist, met name van voorzieningen die nodig zijn om deze beperkingen te compenseren, doch dat die in de FML ontbreekt.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige slechts bij uitzondering niet gevolgd. Met de rechtbank en op gelijke gronden als door de rechtbank gebezigd, is de Raad van oordeel dat zo’n uitzondering zich hier niet voordoet. Een uitzondering kan (uiteraard) niet slechts zijn gelegen in het feit dat appellante - al dan niet in navolging van Gerards - het oneens blijft met de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde Boeykens op onderdelen waaraan door hem, ook in reactie op het commentaar van appellante op zijn rapport, aandacht is besteed.

5.3. Wat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies huishoudelijk medewerker (111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen (111334) betreft schaart de Raad zich achter het door het Uwv in hoger beroep verdedigde standpunt dat het verschil tussen die beide functies groot genoeg is om als twee verschillende functies te kunnen worden gehanteerd. Daartoe heeft het Uwv verwezen naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 mei 2009 waarin naar het oordeel van de Raad genoegzaam is gemotiveerd dat het verschil groot genoeg is. Daarbij tekent de Raad nog aan dat, anders dan appellante lijkt te menen, voor het antwoord op de vraag of functies wat de daaraan verbonden werkzaamheden betreft zozeer van elkaar verschillen (niet voor ten minste 65% met elkaar overeenstemmen) dat zij in verschillende bestandscodes kunnen worden onder gebracht, niet doorslaggevend is de doelstelling van de werkzaamheden, doch de in het kader van die functies te verrichten taken in combinatie met het niveau waarop die taken moeten worden verricht. In dit verband wijst de Raad op zijn uitspraak van 28 november 2008, LJN BG6336.

5.4.1. Ter nadere onderbouwing van het door haar ter zitting van de Raad ingenomen standpunt dat zij niet in staat is tot zelfstandig woon/werkverkeer heeft appellante een verklaring van Gerards van 24 november 2010 overgelegd. Daarin heeft Gerards vermeld: “Is niet in staat zichzelf op eigen kracht te vervoeren, dan wel deel te nemen aan openbaar vervoer of taxivervoer. Kan slechts door familie vervoerd worden.”. Ter toelichting daarop heeft appellante ter zitting desgevraagd verklaard dat de voor haar woon/werkvervoer in aanmerking komende familie slechts bestaat uit haar echtgenoot en dochter (haar zoon is nog veel te jong) die evenwel in verband met eigen werk respectievelijk studie geen van beiden in staat zijn haar van huis naar het werk en terug te vervoeren. De Raad acht zich niet overtuigd door de verklaring van Gerards (bij wie appellante sinds 28 maart 2008 in behandeling is), omdat de conclusie dat appellante slechts door familie kan worden vervoerd daarin noch in eerdere stukken is onderbouwd, de datum thans in geding 6 november 2006 is en de verklaring van Gerards niet ziet op die datum (immers, aan die verklaring ligt ten grondslag de - daarin vermelde - situatie die in de zomer van 2010 is ontstaan na ruzie van appellante met haar - in Turkije wonende - vader). Voorts bevat het rapport van Boeykens evenmin enig aanknopingspunt om de conclusie te trekken dat appellante op 6 november 2006 verkeerde in een situatie dat zij slechts door familie kon worden vervoerd. De Raad gaat er bij zijn (verdere) oordeelsvorming vanuit dat de situatie waarin appellante op 6 november 2006 verkeerde zo was dat zij in ieder geval per taxi, ook van huis naar haar werk en terug, kon worden vervoerd en dat zij daarbij niet door familie behoefde te worden vergezeld.

5.4.2. Blijft ter beantwoording over de vraag of - ingeval van daadwerkelijke vervulling van een van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies of een andere functie - van appellante niet in redelijkheid vervoer per taxi van huis naar haar werkplek en terug kon worden gevergd (aangenomen dat de desbetreffende functie zich qua werkplek op een grotere afstand van de woning bevindt dan lopend door haar kan worden afgelegd en de betrokken werkgever niet zelf in het woon/werkverkeer per auto of busje voorziet). Het Uwv heeft - in navolging van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 20 augustus 2010 - naar voren gebracht dat het eventuele vervoersprobleem zonodig kan worden ondervangen met een door het Uwv aanvullend te verstrekken vervoersvoorziening. Ter zitting is uit de verf gekomen dat die in een regeling neergelegde voorziening weliswaar op de datum thans in geding van kracht was, maar niet volledig door het Uwv vooraf werd betaald of achteraf aan haar vergoed bij een hoger gezinsinkomen dan de gestelde bovengrens, welke situatie zich volgens appellante toen voordeed. De Raad vermag niet in te zien waarom de verplichting tot een eigen bijdrage in de kosten van een door het Uwv toe te kennen reguliere voorziening in het woon/werkvervoer per taxi in de weg zou moeten of kunnen staan aan het in het kader van de WAO passend achten van een functie.

6. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR