Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
08-7225 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Ontbreken van procesbelang.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 430
RSV 2011/160 met annotatie van K.D. van Someren
ABkort 2011/92
USZ 2011/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7225 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2008, 07/3000 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan een werknemer van een rechtsvoorgangster van appellante is na ommekomst van de wettelijke wachttijd bij besluit van 6 juli 1999 met ingang van 17 juni 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend volgens de klasse 35 tot 45%. Over het recht van die werknemer op WAO-uitkering zijn nadien verschillende besluiten genomen, waaronder het besluit van 15 juni 2004. Daarbij heeft het Uwv naar aanleiding van het verzoek van die werknemer om voortzetting van zijn WAO-uitkering, die toen werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, beslist dat die uitkering met ingang van 17 juni 2004 werd voortgezet en met ingang van 16 augustus 2004 werd herzien naar de klasse 45 tot 55%. Naar aanleiding van het door de werknemer tegen het besluit van 15 juni 2004 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2005 het besluit van 15 juni 2004 herroepen in die zin dat werknemer met ingang van 16 augustus 2004 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante desgevraagd meegedeeld dat appellante door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep tegen het besluit van 25 april 2005 en dat daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 20 september 2007, voorzover hier van belang, het door appellante tegen het besluit van 15 juni 2004 op 25 juli 2007 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Uwv is appellante geen belanghebbende bij het besluit van 15 juni 2004 omdat zij alleen gedurende de eerste vijf jaar van ontvangst van een WAO-uitkering daarbij belanghebbende is en dat deze periode liep tot 17 juni 2004.

3. In de beroepsprocedure tegen het besluit van 20 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van appellante erkend dat de WAO-uitkering van de werknemer slechts gedurende de eerste vijf jaar van invloed is op de gedifferentieerde WAO-premie van appellante. Niettemin is, aldus de gemachtigde, appellante bij het besluit van 15 juni 2004 belanghebbende omdat zij alleen langs deze weg kan beoordelen of vanaf 11 maart 2002 de WAO-uitkering terecht is betaald en of tijdig herkeuring heeft plaatsgevonden. In zijn pleitnota voor de zitting van de rechtbank op 2 oktober 2008 heeft de gemachtigde in dit verband ook nog gewezen op de noodzaak van een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM als het gaat om het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht om alle “merits of the matter” ter volledige toetsing aan de rechter voor te kunnen leggen.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Dit beroep zag alleen nog op het bestreden besluit, voor zover betreffende het besluit van 15 juni 2004.

4.2. Inzake haar oordeel dat het Uwv appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2004 overwoog de rechtbank als volgt: “Tussen partijen is niet in geschil – en ook voor de rechtbank staat vast – dat slechts de eerste vijf jaar van invloed zijn op de hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit gegeven dat eiseres geen belanghebbende kan zijn bij een besluit dat betrekking heeft op een tijdvak na die vijf jaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van het verzenden van het besluit van 15 juni 2004 aan eiseres. Nu eiseres, zoals in het vorenstaande is overwogen, geen belanghebbende is, heeft verweerder haar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Ten overvloedde overweegt de rechtbank dat eiseres met haar bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2004 niet kan bereiken wat zij daarmee beoogt, te weten een heroverweging van de WAO-rechten van de werknemer over de periode voorafgaande aan het besluit van 15 juni 2004. Dit betekent dat er geen proces-belang aanwezig is en het bezwaar ook om die reden niet-ontvankelijk moet worden geacht.”.

5. In hoger beroep heeft appellante de in beroep voorgedragen gronden en argumenten tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar in essentie herhaald.

6.1. De Raad overweegt dat, ook ervan uitgaande dat appellante ten tijde van het nemen van het besluit van 15 juni 2004 niet meer de actuele werkgever van de werknemer was het dossier bevat hieromtrent geen precieze informatie -, in lijn met zijn uitspraken van 13 februari 2002 (LJN AD9985) en 30 mei 2008 (LJN BD3797) niet valt in te zien dat appellante als voormalig werkgever niet evenzeer als een categoraal belanghebbende actuele werkgever belang kan hebben bij een besluit als dat van 15 juni 2004.

6.2. Indien overeenkomstig overweging 6.1 zou moeten worden vastgesteld dat appellante ook als belanghebbende bij het besluit van 15 juni 2004 zou hebben te gelden, neemt dit, gelet op bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 11 februari 2003 (LJN AF6254) en 21 november 2008 (LJN BG5792), niet weg dat appellante als werkgever wel een concreet processueel belang dient te hebben. Tussen partijen is, zoals de rechtbank op zichzelf met juistheid heeft vastgesteld, niet in geschil dat de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 16 augustus 2004 in verband met de toekenning van een WAO-uitkering aan de werknemer met ingang van 15 juni 1999 geen gevolgen meer heeft voor de gedifferentieerde WAO-premie van appellante. Een processueel belang valt naar het oordeel van de Raad ook niet te ontlenen aan haar standpunt dat zij over de band van het besluit van 15 juni 2004 - welk besluit wat betreft de herziening van de WAO-uitkering alleen zag op de datum 16 augustus 2004 - een mogelijke eerdere ingangsdatum van herziening aan de orde had kunnen stellen, die wel van belang zou kunnen zijn voor een juiste vaststelling van die premie. Zoals de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 januari 2007 (LJN AZ6507) - heeft overwogen in zijn even vermelde uitspraak van 21 november 2008, had appellante zelf aan het Uwv kunnen vragen om het recht op uitkering van de werknemer opnieuw te beoordelen en had zij, in het geval dat zij het niet eens zou zijn met het daarop door het Uwv te nemen besluit, van de haar ten dienste staande rechtsmiddelen gebruik kunnen maken. Gelet hierop is er naar het oordeel van de Raad wat betreft de mogelijkheid van de werkgever om het recht van de werknemer op een WAO-uitkering periodiek aan de orde te stellen dan ook geen sprake van een situatie die strijd oplevert met de door appellante bedoelde artikelen van het EVRM.

6.3. Overweging 6.2 leidt de Raad tot de slotsom dat het Uwv bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juni 2004 wegens het ontbreken van procesbelang terecht, zij het niet op juiste grond, niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak, zij het met gedeeltelijke verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM