Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
08-4653 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. De door appellante voor het huisbezoek gegeven toestemming berust op ‘informed consent’. Hetgeen is waargenomen en verklaard tijdens het huisbezoek kan betrokken worden bij de beoordeling van het recht op bijstand van appellante. Gezamenlijk hoofdverblijf. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. Gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4653 WWB

08/4654 WWB

09/1565 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2008, 07/187, 07/3398, 07/4799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving laatstelijk bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij staat sedert 11 december 1973 ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam].

1.2. Op 2 maart 2006 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een anonieme melding ontvangen dat appellante al 13 jaar samenwoont met een Egyptische man met de voornaam [F.], dat deze man, werkzaam als taxichauffeur, in een donkerblauwe Mercedes rijdt die bij appellante voor de deur geparkeerd staat, en dat appellante acht keer per jaar op vakantie gaat naar Spanje.

1.3. Naar aanleiding van deze melding hebben handhavingspecialisten van de afdeling Controle en Opsporing van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek hebben zij op 8 en 9 augustus 2006 getracht een huisbezoek te brengen aan de woning van appellante. Beide keren hebben de handhavingspecialisten een blauwe Mercedes voor de woning van appellante aangetroffen. Aangezien op hoorbaar bellen niet werd gereageerd, is appellante uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de DWI op

16 augustus 2006. Bij navraag is gebleken dat het kenteken van de blauwe Mercedes geregistreerd stond op naam van

[F.M.], sinds 6 augustus 1996 ingeschreven op het adres [adres 2], te [plaatsnaam].

1.4. Tijdens het gesprek op 16 augustus 2006 heeft appellante, geconfronteerd met de anonieme melding, verklaard - samengevat - dat zij meerdere keren per jaar op vakantie gaat naar Spanje, dat zij alleen woont, geen Egyptische man kent, noch een taxichauffeur of iemand anders met een blauwe Mercedes.

1.5. Met toestemming van appellante hebben de handhavingspecialisten aansluitend aan dit gesprek een huisbezoek gebracht aan de woning van appellante. In deze woning is een man aangetroffen over wie appellante verklaarde dat hij een goede vriend van haar is en [F.M.] (hierna: [M.]) heet, woonachtig is op de [adres 2], taxichauffeur van beroep is en beschikt over een blauwe Mercedes. Tevens verklaarde zij dat [M.] twee à drie keer per week bij haar blijft slapen, gemiddeld drie keer per week bij haar eet, dat zij de boodschappen doet en betaalt en dat zij de kleding van [M.] wast. In de woning van appellante zijn de administratie, kleding, schoenen en toiletartikelen van [M.] aangetroffen. Tevens is een aan [M.] en appellante gerichte ansichtkaart uit het jaar 2000 aangetroffen waarop de tekst is vermeld “Mama en [F.], welkom thuis”. Appellante heeft desgevraagd meegedeeld dat deze kaart door haar zoon is geschreven.

1.6. De bevindingen van het door de handhavingspecialisten verrichte onderzoek, weergegeven in een rapport van

31 augustus 2006, zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 11 september 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 november 2006, de bijstand van appellante met ingang van 16 augustus 2006 in te trekken op de grond dat zij heeft verzwegen dat zij met [M.] in haar woning een gezamenlijke huishouding voert.

1.7. Bij besluit van 20 november 2006 heeft het College appellante op haar verzoek met ingang van 25 september 2006 weer bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. De bijstandsverlening is met ingang van 1 januari 2007 beëindigd naar aanleiding van de mededeling van appellante dat zij met ingang van die datum in haar woning is gaan samenwonen met [M.].

1.8. Op basis van de bevindingen neergelegd in het rapport van 31 augustus 2006 heeft de sociale recherche van de DWI een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand in de periode voorafgaande aan 16 augustus 2006. In dat kader is appellante op 23 februari 2007 en [M.] op 1 maart 2007 verhoord, hebben buurtbewoners uit de omgeving van het adres van appellante en van het adres [adres 2] een verklaring afgelegd en is bij derden, onder meer bij woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging], het water-en energiebedrijf en de politie, informatie ingewonnen. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn weergegeven in een Proces-verbaal Uitkeringsfraude van 13 maart 2007 (hierna: Proces-verbaal).

1.9. Naar aanleiding van het Proces-verbaal heeft het College bij besluit van 12 april 2007 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2006 ingetrokken en de voor appellante gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 115.024,32 van haar teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

17 juli 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de periode van intrekking is beperkt tot de periode van 1 juli 1997 tot en met 16 augustus 2006 (lees: 15 augustus 2006) en de terugvordering nader is vastgesteld op een bedrag van

€ 112.715,10.

1.10. Aan deze besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante heeft verzuimd mee te delen dat zij over de periode van 1 juli 1997 tot en met 15 augustus 2006 een gezamenlijke huishouding op haar adres heeft gevoerd met [M.].

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 30 november 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 juli 2007, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2007 te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [M.] over de periode van 1 juli 1997 tot en met 16 augustus 2006 gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en voorts dat appellante met [M.] over de periode van 1 januari 2000 tot en met

16 augustus 2006 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de verklaringen van de buurtbewoners, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat zij in de periode vóór 1 januari 2007 gezamenlijk hoofdverblijf met [M.] heeft gehad of een gezamenlijke huishouding met hem heeft gevoerd. Tevens heeft zij de in beroep aangevoerde grond herhaald dat de gegevens naar aanleiding van het op

16 augustus 2006 afgelegde huisbezoek onrechtmatig zijn verkregen, omdat er geen sprake was van ‘informed consent’, en om die reden buiten beschouwing dienen te blijven.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 25 september 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen dat gecorrigeerd is bij brief van 4 mei 2009. Hierbij heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

12 april 2007 gegrond verklaard in die zin dat de intrekking van de bijstand wordt beperkt tot de periode vanaf januari 2000. Tevens heeft het College de aan appellante verleende toeslag van 20% over de periode van 1 juli 1997 tot en met

31 december 1999 herzien naar een toeslag van 10% op de grond dat zij haar woonkosten heeft kunnen delen met [M.]. De terugvordering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 16 augustus 2006 is daarbij nader vastgesteld op een bedrag van in totaal € 83.529,59.

4.1. De Raad zal het besluit van 25 september 2008 met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier toepasselijke bepalingen van de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraak.

5.1. De Raad stelt voorop dat het College de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 16 augustus 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode, zodat volgens vaste rechtspraak van de Raad de datum van het primaire intrekkingsbesluit de beoordelingsperiode beperkt. Gelet op de aangevallen uitspraak en het hoger beroep ligt hier met betrekking tot de intrekking dan ook ter beoordeling voor de periode vanaf 1 januari 2000 tot en met 11 september 2006.

5.2. Gelet op de door appellante aangevoerde gronden dient de Raad te beoordelen of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat appellante en [M.] in de periode van 1 juli 1997 tot en met 11 september 2006 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en in de periode van 1 januari 2000 tot en met 11 september 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad zal daarbij eerst ingaan op het standpunt van appellante dat het huisbezoek van 16 augustus 2006 onrechtmatig was.

Het huisbezoek

5.3. Gelet op de gedetailleerde inhoud van de anonieme melding, gevoegd bij het feit dat voor de woning van appellante een blauwe Mercedes is aangetroffen en de onder 1.4 weergegeven verklaring van appellante, is de Raad van oordeel dat het College voorafgaande aan het huisbezoek van 16 augustus 2006 op grond van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid van de door appellante over haar woon-en leefsituatie verstrekte gegevens. Er was derhalve op dat moment sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Overigens heeft de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad de aanwezigheid van een dergelijke grond - alsnog - erkend.

5.3.1 Zoals de Raad in zijn uitspraken van 24 november 2009, LJN BK4060, BK4063 en BK4064, heeft overwogen en beslist, is van ‘informed consent’ voorafgaande aan een huisbezoek eerst sprake, indien de toestemming van belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over de reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor (verdere) verlening van bijstand heeft. Indien, zoals in dit geval, een redelijke grond aanwezig is, dient belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. De bewijslast ten aanzien van ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

5.3.2. De Raad is met de rechtbank en anders dan appellante van oordeel dat de door appellante voor het huisbezoek gegeven toestemming berust op ‘informed consent’. Daartoe overweegt de Raad dat uit het rapport van 31 augustus 2006 is af te leiden dat appellante aansluitend aan de ten kantore van de DWI afgelegde verklaring een aantal schriftelijke vragen zijn voorgehouden. Deze vragen, die inhouden of appellante toestemming heeft verleend tot binnentreden, of de handhavingspecialisten zich hebben gelegitimeerd, of het doel van het huisbezoek is uitgelegd en of zij de folder ‘het huisbezoek’ heeft gekregen, heeft appellante alle bevestigend beantwoord, waarvoor zij vervolgens heeft getekend.

5.3.3. Voorts wijst de Raad in dit kader op het bezwaarschrift van 16 november 2006, gericht tegen het besluit van 11 september 2006, waarbij appellante naar voren heeft gebracht dat haar voorafgaande aan het huisbezoek is meegedeeld dat de bijstandsverlening zou worden beëindigd indien zij geen medewerking zou verlenen aan het huisbezoek.

5.3.4. De overwegingen onder 5.3 tot en met 5.3.3 leiden de Raad tot het oordeel dat hetgeen is waargenomen en verklaard tijdens het huisbezoek van 16 augustus 2006 betrokken kan worden bij de beoordeling van het recht op bijstand van appellante.

Gezamenlijk hoofdverblijf

5.4. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

5.4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevindingen weergegeven in de rapporten van 31 augstus 2006 en

13 maart 2007 voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante en [M.] gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 11 september 2006 gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Daarbij hecht de Raad in het bijzonder betekenis aan de door appellante op 23 februari 2007 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring dat [M.] sedert ongeveer 10 jaar drie à vier keer bij week bij haar sliep en haar verklaring in datzelfde gesprek dat [M.] gemiddeld over de afgelopen 10 jaar wel 4 à 5 keer per week bij haar sliep. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van de directe boven- en benedenburen van appellante, die naar het oordeel van de Raad concreet en gedetailleerd zijn en op eigen waarnemingen zijn gebaseerd. Dat deze verklaringen buiten beschouwing dienen te blijven, zoals appellante heeft aangevoerd, om redenen die liggen in de persoonlijke omstandigheden dan wel in de verstandhouding van deze buren met appellante, volgt de Raad niet, reeds omdat deze stelling objectiveerbaar noch verifieerbaar is.

5.4.2. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het standpunt van appellante te volgen dat aan haar verklaring van 23 februari 2007 minder waarde moet worden gehecht dan aan haar op 16 augustus 2006 afgelegde verklaring. Dat appellante met [M.], zoals zij heeft aangevoerd een LAT-relatie onderhield, leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel.

5.4.3. Tevens ziet de Raad het hoofdverblijf van [M.] bij appellante bevestigd in de verklaring die [M.] op

1 maart 2007 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd in samenhang met de bevindingen van het buurtonderzoek bij de woning aan de [adres 2]. [M.] heeft daarbij herhaald dat hij daadwerkelijk op dit adres woonachtig was, dat zijn vrienden daar ook kwamen en dat hij, indien hij daar niet was, bij appellante verbleef. Vervolgens leidt de Raad uit de verklaringen van de buurtbewoners af dat [M.] niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 2]. Daarbij kent de Raad anders dan appellante, geen betekenis toe aan de verklaring van [S.], woonachtig aan de [adres], aangezien deze bewoner, geconfronteerd met de foto van [M.], niet met zekerheid kon zeggen of [M.] degene is over wie hij heeft verklaard. Voorts acht de Raad in dit verband van belang dat [B.] tegenover de sociale recherche op 6 februari 2007 heeft verklaard dat zij in de periode van april/mei 2002 tot 1 september 2005 als alleenstaande op de [adres 2] woonde, dat zij deze woning van [M.] huurde en aan hem

€ 400,-- per maand huur betaalde, dat zij met hem bevriend is geraakt en hem wel eens opzocht in de woning van appellante. Aan de op geen enkele wijze onderbouwde ontkenning van [M.] van de juistheid van deze, op eigen ervaring berustende getuigenverklaring kent de Raad geen betekenis toe.

Gezamenlijke huishouding

5.5. Van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake indien naast het gezamenlijk hoofdverblijf blijkt van wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

5.5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen weergegeven in de rapporten van

31 augustus 2006 en 13 maart 2007 eveneens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat over de periode van 1 januari 2000 tot en met 11 september 2006 voldaan is aan het criterium van de wederzijdse zorg. Uit deze bevindingen komt naar voren dat appellante voor [M.] kookte, waste, boodschappen deed en haar woning ter beschikking stelde aan [M.]. Dat dit op incidentele basis gebeurde, zoals appellante heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Voorts maakte [M.] op zijn beurt gebruik van de woning van appellante en heeft hij tegenover de sociale recherche verklaard dat hij de gezamenlijke vakanties betaalde. Uit de op 16 augustus 2006 in de woning van appellante aangetroffen ansichtkaart leidt de Raad af dat appellante en [M.] in ieder geval vanaf het jaar 2000 gezamenlijk hun vakanties doorbrachten.

5.5.2. Het standpunt van appellante dat uit de door haar overgelegde verklaringen van haar zoon, [T.], haar schoondochter, [T.], en een vriend van [M.], [E.], is af te leiden dat zij vóór 1 januari 2007 niet met [M.] heeft samengewoond, passeert de Raad aangezien deze verklaringen gedetailleerd noch concreet zijn en daarenboven uit deze verklaringen niet is op te maken op welke feiten en omstandigheden deze wetenschap is gebaseerd.

5.5.3. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat haar energieverbruik overeenkwam met het gemiddelde verbruik van een alleenstaande, brengt dit de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat de van het energiebedrijf ontvangen gegevens niet van doorslaggevend belang zijn geweest voor de besluitvorming van het College.

5.6. Uit hetgeen de Raad onder 5.1 tot en met 5.5.3 heeft overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Het besluit van 25 september 2008

5.7. Nu appellante tegen het besluit van 25 september 2008 slechts heeft aangevoerd dat het College bij zijn besluitvorming ten onrechte een gezamenlijk hoofdverblijf als uitgangspunt heeft genomen, ziet de Raad, onder verwijzing naar hetgeen hij onder 5.4 tot en met 5.4.3 heeft overwogen, geen aanleiding het beroep tegen dit besluit gegrond te achten.

6. Tot slot ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 september 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

18 januari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

BvW