Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
10/3700 WWB + 10/3704 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het huisbezoek is een inbreuk op het huisrecht van appellante gemaakt, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Onvoldoende feitelijke grondslag dat er een gezamenlijke huishouding is gevoerd. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluiten van 20 augustus 2009 en 29 juni 2009. Herroept de besluiten van 24 juni 2009 en 29 juni 2009.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3700 WWB

10/3704 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [plaatsnaam] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 mei 2010, 09/4209 en 09/4467 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Nelemans, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 7 december 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 9 oktober 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding dat appellante samenwoont is door het Team Fraudebestrijding een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Op

11 mei 2009 is een controle gehouden bij de woning van appellante. Hierbij is waargenomen dat appellante en haar kinderen de woning hebben verlaten en dat appellante een bromfiets uit de schuur heeft gehaald. Vervolgens heeft een man, gekleed in alleen een boxershort, de woning van appellante verlaten en de bromfiets voor appellante gestart, waarna zij met twee kinderen is weggegaan. Uit nader onderzoek is gebleken dat deze bromfiets op naam stond van de heer

T.C. [K.] (hierna: [K.]), die per 22 februari 2008 in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) stond vermeld als “vertrokken naar onbekend” met als reden emigratie.

1.3. In het voorgaande is aanleiding gezien op 19 mei 2009 een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het adres van appellante. Hierbij hebben appellante en [K.] verklaard dat [K.] de vader van het jongste kind van appellante is en dat hij vaak in de weekenden bij appellante verblijft, en zijn kleding en toiletartikelen van [K.] aangetroffen.

1.4. De onderzoeksresultaten, neergelegd in een rapport van 19 mei 2009, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 24 juni 2009 de bijstand van appellante met ingang van 19 mei 2009 te beëindigen (lees: in te trekken). Voorts heeft het College bij besluit van 29 juni 2009 de over de periode van 19 mei 2009 tot en met 30 juni 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.563,86 van appellante teruggevorderd.

1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 20 augustus 2009, respectievelijk 24 september 2009 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 24 juni 2009, respectievelijk 29 juni 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante met [K.] een gezamenlijke huishouding voert. Het College heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit hun relatie een kind is geboren en heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning als vereist in artikel 3, vierde lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 20 augustus 2009 en

24 september 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in de onder 1.2 vermelde anonieme tip en onderzoeksbevindingen een redelijke grond gezien voor het afleggen van het huisbezoek op 19 mei 2009. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is voldaan aan de eis van “informed consent”, hetgeen betekent dat sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het gebruik maken van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard of waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In de bevindingen van het huisbezoek in samenhang met de eerdere bevindingen heeft de rechtbank voldoende feitelijke grondslag gezien voor de besluitvorming.

3. Appellante heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluitvorming op voldoende feitelijke grondslag berust. In dit verband heeft zij onder meer aangevoerd dat geen redelijke grond bestond voor het afleggen van het huisbezoek op 19 mei 2009 waardoor de bevindingen daarvan buiten beschouwing moeten blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College bij het besluit van 24 juni 2009 de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. In de onderhavige zaak is dat de periode van 19 mei 2009 tot en met 24 juni 2009. Vervolgens stelt de Raad vast dat het College in het kader van de terugvordering ook beoordeeld heeft of appellante vanaf 25 juni 2009 tot en met 30 juni 2009 recht had op bijstand. Dit betekent dat in dit geval de door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 19 mei 2009 tot en met 30 juni 2009.

4.2. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellante ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [K.]. De Raad dient, gelet op hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, bij de beantwoording van die vraag eerst te beoordelen of het huisbezoek van 19 mei 2009 onrechtmatig is en zo ja, of dat tot gevolg heeft dat de bevindingen van dat huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven.

4.3. Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van

24 november 2009, LJN BK4057) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.4. Naar het oordeel van de Raad bestond in het onderhavige geval geen redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 19 mei 2009. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de onder 4.4 vermelde uitspraak) vormt een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. In de onderhavige tip is geen naam genoemd van de man waarmee appellante zou samenwonen. De daarop volgende observatie van 11 mei 2009 waarbij is waargenomen dat [K.] de woning van appellante verliet om haar te helpen met het starten van een bromfiets, die op zijn naam bleek te staan en het feit dat [K.] als geëmigreerd stond geregistreerd in de GBA, vormen samen met deze tip onvoldoende aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens. Voorts had het College over de woon- en leefsituatie van appellante duidelijkheid kunnen verkrijgen op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek, bijvoorbeeld door haar uit te nodigen voor een gesprek.

4.5. Verder blijkt uit het onder 1.4 genoemde rapport van 19 mei 2009 dat de medewerker van het Team Fraudebestrijding zich heeft gelegitimeerd, het doel van het huisbezoek heeft uitgelegd en toestemming heeft gekregen van appellante om de woning te betreden, maar niet aan appellante duidelijk heeft gemaakt dat het weigeren van toestemming voor het huisbezoek geen (directe) gevolgen voor de bijstandsverlening heeft.

4.6. Uit hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat met het huisbezoek van 9 mei 2009 een inbreuk op het huisrecht van appellante is gemaakt, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

4.7. De omstandigheid dat een huisbezoek een onrechtmatig karakter draagt brengt in gevallen als de onderhavige, waarin een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbreekt, naar het oordeel van de Raad, waartoe hij verwijst naar zijn onder 4.3 vermelde uitspraak, mee dat de bevindingen van dat huisbezoek in beginsel niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. De Raad ziet geen aanknopingspunten om in het geval van appellante van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat hetgeen tijdens het huisbezoek van 19 mei 2009 is verklaard en waargenomen buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding is gevoerd. De - onder 1.2 vermelde - resterende gegevens bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor een bevestigend antwoord op deze vraag. De besluitvorming berust derhalve op een ontoereikende motivering.

4.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen tegen de besluiten van

20 augustus 2009 en 24 september 2009 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de besluiten van

24 juni 2009 en 29 juni 2009 te herroepen.

5. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de (proces)kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 1311,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.392,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 20 augustus 2009 en 24 september 2009 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Herroept de besluiten van 24 juni 2009 en 29 juni 2009;

Veroordeelt het College in de (proces)kosten van appellante tot een bedrag van

€ 2.392,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) K. Moaddine.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NK