Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
09-4494 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering intrekking besluit, inhoudende eervol ontslag onder toekenning stimuleringspremie. De gestelde diagnose non-Hodgkin lymfoom is terecht aangemerkt als een nieuw feit. De staatssecretaris heeft niet ontkend dat als de ziekte van appellant ten tijde van het ontslagverzoek bekend was geweest, dit feit tot een ander verloop van de gebeurtenissen zou hebben geleid. De omstandigheden van het geval zijn echter van dien aard, dat hij redelijkerwijs niet gehouden was terug te komen van het ontslagbesluit. Voldoende medisch onderzoek. Geen onaanvaardbare druk uitgeoefend om tot ontslagaanvrage te komen. Geen sprake van dwaling. De doorbetaling van bezoldiging na ontslag is op goede gronden beëindigd.De staatssecretaris heeft zich kunnen baseren op het advies van de bedrijfsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4494 AW

09/4553 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2009, 08/580 en 08/2199 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 20 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden, waarop door de staatssecretaris is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs en

B. Cnossen, beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 25 februari 2002 in dienst getreden bij de [naam Dienst] In verband met een ziekmelding op 11 november 2004 heeft hij op 1 december 2004 de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft hem met ingang van

6 december 2004 hersteld verklaard.

1.2. Bij brief van 16 december 2004 heeft appellant, wegens persoonlijke redenen, om eervol ontslag verzocht met ingang van 1 januari 2005 onder toekenning van een stimuleringspremie. Bij besluit van 17 december 2004 heeft de staatssecretaris appellant eervol ontslag verleend met ingang van 1 januari 2005 onder toekenning van een stimuleringspremie van driemaal het bruto maandsalaris. Daarbij is hem meegedeeld dat hij als gevolg hiervan geen recht heeft op terugkeergarantie.

1.3. Op 25 februari 2005 is bij appellant de diagnose non-Hodgkin lymfoom vastgesteld. Op 12 oktober 2006 heeft appellant de staatssecretaris om nadere informatie gevraagd over de hersteldmelding per 6 december 2004 en over de afhandeling van zijn arbeidsverhouding bij de [naam Dienst]. Daarbij heeft hij gemeld dat zijn ziekteverschijnselen achteraf symptomen zijn gebleken van een non-Hodgkin lymfoom. Naar aanleiding van het antwoord van de staatssecretaris heeft de gemachtigde van appellant op 14 november 2006 verzocht, in verband met deze ziekte als nieuw feit, het ontslagbesluit in te trekken dan wel te herzien. Bij besluit van 8 januari 2007 heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 27 december 2007 (hierna: besluit 1).

1.4. Bij besluit van 14 december 2007 heeft de staatssecretaris aan appellant meegedeeld dat hij op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aanspraak heeft op doorbetaling van zijn bezoldiging na ontslag tot 18 oktober 2005, zijnde de dag met ingang waarvan de bedrijfsarts appellant weer arbeidsgeschikt heeft geacht.

Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2008 (hierna: besluit 2).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Weigering intrekking ontslagbesluit

3.1.1. De Raad stelt vast dat appellant tegen het ontslagbesluit geen rechtsmiddel heeft ingesteld. Ook nadat de ziekte zich bij hem had geopenbaard, en nadat hij zover hersteld was dat hij in staat moest worden geacht zijn belangen waar te nemen, heeft hij nagelaten alsnog bezwaar te maken tegen dat besluit.

3.1.2. Het vorenstaande betekent dat appellants verzoek van 14 november 2006 - gelijk de rechtbank heeft gedaan - moet worden gezien als een verzoek terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit en dat dat verzoek moet worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de gestelde diagnose non-Hodgkin lymfoom een nieuw feit is en heeft dat standpunt onderschreven. Ook de Raad sluit zich daarbij aan. De vraag die dan beantwoord moet worden is of de staatssecretaris niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.1.3. Appellant heeft aangevoerd dat partijen ten tijde van belang in dwaling hebben verkeerd. Partijen waren destijds van mening dat succesvolle voortzetting van het dienstverband niet tot de mogelijkheden behoorde. Appellant meende dat hij elders op de arbeidsmarkt een plek zou kunnen vinden die beter aansloot op zijn wensen. Ter zitting van de Raad heeft hij verklaard dat hij daarbij dacht aan de zwakzinnigenzorg. Het vinden van een nieuwe baan is echter verhinderd door de kort na zijn ontslag gediagnosticeerde ziekte, die hij al onder de leden had ten tijde van zijn ontslagaanvraag. Als partijen destijds van deze ziekte geweten zouden hebben, hadden zij anders gehandeld en zou het dienstverband niet op die wijze en op dat moment geëindigd zijn. De staatssecretaris heeft, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid niet kunnen weigeren het ontslagbesluit ongedaan te maken. Daarbij heeft appellant gesteld dat de bedrijfsarts destijds in feite onvoldoende onderzoek heeft uitgevoerd naar de gezondheidstoestand van appellant.

De staatssecretaris heeft niet ontkend dat als de ziekte van appellant ten tijde van het ontslagverzoek bekend was geweest, dit feit tot een ander verloop van de gebeurtenissen zou hebben geleid. De omstandigheden van het geval zijn echter van dien aard, dat hij redelijkerwijs niet gehouden was terug te komen van het ontslagbesluit, aldus de staatssecretaris.

3.1.4. De in 3.1.2 geformuleerde vraag beantwoordt de Raad aldus dat niet kan worden gezegd dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Daarbij heeft de Raad het volgende van belang geacht.

3.1.5. Appellant heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat de bedrijfsarts, toen deze appellant op 1 december 2004 zag en hem met ingang van 6 december 2004 hersteld verklaarde, een aan de staatssecretaris toe te rekenen foutieve inschatting heeft gemaakt. Uit de gedingstukken is naar het oordeel van de Raad veeleer af te leiden dat de symptomen die op non-Hodgkin lymfoom wezen, met name appellants keelklachten, zich pas in de loop van december 2004 - en dus na het bezoek aan de bedrijfsarts - openbaar-den in een mate die aanleiding was voor een bezoek aan de huisarts. De Raad merkt hierbij nog op dat appellant destijds geen aanleiding heeft gezien om naar aanleiding van het oordeel van de bedrijfsarts om een second opinion te verzoeken.

3.1.6. Voorts is de Raad niet gebleken dat op appellant onaanvaardbare druk is uitgeoefend om tot zijn ontslagaanvrage te komen. De enkele omstandigheid dat appellant voorafgaand aan het ontslag een moeizame periode in zijn werk doormaakte en dat hij ervan uitging - wellicht mede op grond van gesprekken met zijn leidinggevende - dat zijn toekomstperspectief bij de [naam Dienst] onzeker was (hetgeen overigens door de staatssecretaris is ontkend), brengt nog niet mee dat zijn verzoek om ontslag niet in vrijheid is gedaan, en dat de staatssecretaris om die reden gehouden zou zijn het ontslag ongedaan te maken.

3.1.7. Wat betreft de door appellant gestelde dwaling acht de Raad van betekenis dat niet is gesteld of gebleken dat het ontslagverzoek rechtstreeks verband hield met de ziekte van appellant, in die zin dat - zonder dat partijen dat wisten - symptomen van de achteraf geconstateerde ziekte een overheersende rol hebben gespeeld bij het besluit van appellant om ontslag te verzoeken. Veeleer acht de Raad aannemelijk dat met name het feit dat appellant weinig toekomstperspectief zag bij de [naam Dienst] en na zijn ontslagname dacht wel weer aan ander werk te komen bepalend zijn geweest voor het ontslagverzoek. Dit sluit ook aan bij het gegeven dat, zoals appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard, hij in zijn leven veelvuldig van werk is gewisseld. Het verzoek tot intrekking van het ontslagbesluit moet, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, met name gezien worden tegen de achtergrond van een onbevredigende financiële uitkomst van appellants verzoek om een uitkering en de noodzaak een beroep te doen op de Wet werk en bijstand.

Een en ander brengt de Raad tot de conclusie dat, voor zover al gezegd kan worden dat het ontslagverzoek onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, het daarbij gaat om een dwaling omtrent toekomstverwachtingen betreffende werk en inkomen, welke dwaling in redelijkheid voor rekening van appellant behoort te blijven.

3.1.8. Het hoger beroep tegen bestreden besluit 1 slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

3.2. Doorbetaling bezoldiging na ontslag

3.2.1. Appellant heeft gesteld dat de staatssecretaris ten onrechte de doorbetaling van zijn bezoldiging heeft beëindigd met ingang van 18 oktober 2005. Appellant is van mening dat de bedrijfsarts in haar advies aan de staatssecretaris hem ten onrechte met ingang van die datum weer arbeidsgeschikt heeft geacht.

3.2.2. De Raad overweegt dienaangaande dat de bedrijfsarts haar advies van 14 september 2007 heeft gebaseerd op de terugkoppelingsbrief van de behandelend specialist van appellant aan diens huisarts, naar aanleiding van een spreekuurbezoek van 18 oktober 2005. De behandelaar komt tot de conclusie dat appellant op 18 oktober 2005 klinisch in een complete remissie verkeerde van een non-Hodgkin lymfoom en ook klinisch weer was hersteld tot de man die hij tevoren was. Appellant zou tijdens dat spreekuurbezoek zelf hebben aangegeven dat hij weer aan het werk wilde.

3.2.3. Appellant heeft zich daarentegen beroepen op de adviesbrief arbeidsgeschiktheid van een sociaal geneeskundige van de GGD van 1 november 2006, gebaseerd op een spreekuurcontact van 30 oktober 2006. Daarin wordt appellant arbeidsgeschikt geacht met (tijdelijke) beperkingen. Appellant is niet geschikt voor zwaar lichamelijke arbeid en moet zijn rechterarm ontzien; te lange concentratie moet vermeden worden.

3.2.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris zich in zijn besluit heeft kunnen baseren op het advies van de bedrijfsarts, nu uit de terugkoppelingsbrief van de behandelend specialist geen enkele beperking blijkt ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid van betrokkene op 18 oktober 2005. Daarbij heeft de staatssecretaris, overeenkomstig het nader advies van de bedrijfsarts, voorbij mogen gaan aan de andersluidende conclusie van het GGD-rapport, nu uit dat rapport niet blijkt dat appellant arbeidsongeschikt is geweest op of kort na 18 oktober 2005.

Ook de in hoger beroep door appellant ingebrachte brief van een internist/oncoloog van 5 november 2010, waarin deze verklaart dat appellant in augustus in klinisch complete remissie verkeerde vijf jaar na diagnose, kan appellant niet baten, nu uit deze verklaring geen conclusie kan worden getrokken over de arbeidsongeschiktheid van appellant op de in geding zijnde datum.

3.2.5. De Raad concludeert derhalve dat de staatssecretaris op goede gronden heeft besloten de doorbetaling van appellants bezoldiging per 18 oktober 2005 te beëindigen. Het hoger beroep tegen bestreden besluit 2, waarbij dat besluit is gehandhaafd, slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt ook in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van

K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) K. Moaddine.

HD