Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
09/774 WWB + 09/776 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten over inkomen dan wel vermogen boven het voor appellanten geldende vrij te laten vermogen beschikten. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/774 WWB

09/776 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant) en [appellante], (hierna: appellante) beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2008, 08/1296 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.A. Vermeij, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door

mr. Vermeij als gemachtigde en T. Sharaf als tolk Koerdisch Soerani. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 7 december 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau in 2007 over een rentebijschrijving op een niet bij het College bekende bankrekening van appellant is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daaruit is gebleken dat appellant in ieder geval in de periode van 1 januari 2000 tot

28 maart 2007 beschikte over een op zijn naam gestelde bankrekening bij de ING Bank (hierna: bankrekening) waarvan appellanten het College niet in kennis hadden gesteld.

1.2. Bij besluit van 18 september 2007, dat is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 7 januari 2008, heeft het College de bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 mei 2007 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 91.993,21 bruto van appellanten teruggevorderd. Aan de intrekking is ten grondslag gelegd dat appellanten in die periode geen recht hadden op bijstand vanwege ontvangen inkomsten en vermogen boven de voor hen geldende vrijlatingsgrens, waarover zij het College niet hebben geïnformeerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. In lijn daarmee is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het aan appellanten is om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij, zoals zij stellen, destijds niet konden beschikken over het saldo op de bankrekening. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellanten in dat bewijs niet zijn geslaagd.

4.2. Appellanten ontkennen niet dat appellant feitelijk over de tegoeden op de bankrekening kon beschikken maar stellen dat deze niet aan hem, maar aan derden toebehoorden. De bankrekening zou zijn geopend op verzoek en ten behoeve van de (in 2007 overleden) broer van appellant die in Irak woonde en daar een bedrijf had, genaamd [naam bedrijf]. De bankrekening zou zijn gebruikt om in Europa wonende Irakezen, die geld wilden overmaken naar familieleden in Irak, behulpzaam te zijn. Wegens het ontbreken van bankverkeer met Irak werd het op de bankrekening gestorte geld (vanuit Nederland of Turkije) contant naar Irak overgebracht. Ter zitting van de Raad is door appellanten voor het eerst aangevoerd dat het ook wel voorkwam dat het gestorte bedrag werd besteed aan de aanschaf van een auto die vervolgens naar Irak werd overgebracht. Appellanten stellen dat zij hiervan geen financieel voordeel hebben gehad. Zij wijzen

erop dat zij niet in weelde hebben geleefd en verwijten het College dat zij geen huisbezoek hebben afgelegd om dit zelf te kunnen vaststellen.

4.3. De Raad stelt op grond van de beschikbare gegevens, waaronder de door appellanten overgelegde bankafschriften, vast dat in de periode van 5 januari 2000 tot en met 19 juni 2006 op willekeurige data sterk wisselende en soms forse bedragen (tot € 12.245,--) zijn gestort door al dan niet met namen genoemde personen. Uit de bankafschriften kan verder nog worden afgeleid dat er regelmatig geld van de bankrekening is afgehaald door middel van overschrijvingen en kasopnames. De Raad stelt vervolgens vast dat uit de bankafschriften niet kan worden afgeleid dat de gestorte bedragen waren bestemd voor anderen dan de rekeninghouder, noch waaraan de op de bankrekening van appellanten opgenomen bedragen zijn besteed. De Raad constateert verder dat zich in het dossier geen objectieve en verifieerbare stukken bevinden die het standpunt van appellanten over de bestemming en de besteding van de banktegoeden ondersteunen. Appellanten hebben geen administratie bijgehouden van de door hen gestelde financiële transacties, noch ontvangstbewijzen van uitbetaalde geldbedragen of aankoopbewijzen van auto’s overgelegd. De door appellanten in het geding gebrachte stukken, waaronder zeven schriftelijke verklaringen van personen die schrijven dat ze via de bankrekening geld naar familie in Irak hebben gestuurd en een lijst van [naam bedrijf] waarop namen, data en geldbedragen zijn vermeld, bieden naar het oordeel van de Raad niet de benodigde duidelijkheid. Slechts één van de verklaringen bevat een vermelding van een datum en een gestort bedrag dat op een bankafschrift is terug te vinden. De overige verklaringen en de gegevens op de lijst van [naam bedrijf] kunnen niet specifiek worden herleid naar de gegevens op de bankafschriften. Met deze stukken is in ieder geval ook niet aannemelijk gemaakt dat de geldbedragen daadwerkelijk aan derden zijn uitbetaald en dat appellanten daar niet zelf over hebben beschikt. Gelet hierop kan de verwijzing door de gemachtige van appellant naar eerdere uitspraken van de Raad, waaronder met name de uitspraak van de Raad van 10 januari 2003, LJN AF4625, niet leiden tot het door hen gewenste resultaat.

4.4. In het licht van het vorenstaande kunnen de overige door appellanten gestelde omstandigheden, te weten dat appellant in zijn omgeving een gerespecteerd man is en dat appellanten in eenvoud leven, niet leiden tot het oordeel dat appellanten in de op hen rustende bewijslast zijn geslaagd. Anders dan appellanten hebben gesteld had een huisbezoek overigens niet aan het vergaren van voor de besluitvorming relevante informatie kunnen bijdragen. De namens appellanten aangevoerde stelling dat er geen andere verklaring denkbaar is voor de geldstortingen dan die in dit geding door appellanten is aangevoerd kan evenmin slagen, reeds omdat appellant in eerste instantie tegenover een medewerker van de gemeente ’s-Gravenhage zelf een andere verklaring heeft gegeven, te weten dat er sprake was van autohandel.

4.5. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten in de in geding zijnde periode over inkomen dan wel vermogen boven het voor appellanten geldende vrij te laten vermogen beschikten.

Door van een en ander geen melding te maken hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken en dat het College tevens bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, de kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen.

4.7. De in hoger beroep aangevoerde stelling dat appellanten door de intrekking en de terugvordering van de bijstand uitermate zwaar moeten boeten voor de door hen uit ideële overwegingen verleende hulp aan landgenoten in Irak raakt niet het bestaan van de onder 4.6 genoemde bevoegdheden. In deze stelling behoefde het College ook geen grond te zien om de uitoefening van die bevoegdheden achterwege te laten.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

HD