Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
09-1450 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening, en terugvordering bijstandsuitkering. Verlaging 30% gedurende een maand. Meerdere besluiten over verschillende periodes. Vermogen in Turkije. Vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen en van inkomsten uit verhuur. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1450 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2009, 08/4629 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Koopman, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellante is verschenen, vergezeld van haar dochter [naam dochter] en haar zoon [naam zoon], die als tolk heeft gefungeerd. Appellante is bijgestaan door mr. Koopman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sedert 1995 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellante is [in] 1961 gehuwd met [naam echtgenoot]. Het huwelijk werd [in] 1986 door een Nederlands echtscheidingsvonnis ontbonden. [naam echtgenoot] is in 1996 naar Turkije teruggekeerd alwaar hij [in] 1999 is overleden.

1.3. Naar aanleiding van een tip dat appellante onroerend goed in Turkije bezit, heeft het College het Internationaal Bureau Fraude informatie (hierna: IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellante in Turkije. In verband daarmee heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Ankara (hierna: ambassade) een onderzoek verricht. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in rapportages van 21 september 2004 en van 11 mei 2005. Vervolgens heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand in welk kader appellante op 13 augustus 2007 is gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 13 augustus 2007, 27 augustus 2007, 11 september 2007 en 18 september 2007.

1.4. De resultaten van het onderzoek zijn aanleiding geweest om bij besluit van 18 september 2007 (hierna besluit 1) de bijstand van appellante over de periode van 14 september 1999 tot en met 12 mei 2007 te herzien en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 28.043,29 van appellante terug te vorderen. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet bij het College heeft gemeld dat gedurende de betreffende periode sprake was van een vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen en van inkomsten uit verhuur.

1.5. Voorts heeft het College bij besluit van eveneens 18 september 2007 (hierna besluit 2) de bijstand van appellante over de periode van 14 september 2007 tot en met 30 september 2007 herzien en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 219,83 van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat gedurende die periode sprake was van inkomsten uit verhuur.

1.6. Bij besluit van 22 november 2007 (hierna: besluit 3) heeft het College met ingang van 1 december 2007 de bijstand van appellante met 30% gedurende een maand verlaagd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante geen, geen juiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering heeft ontvangen.

1.7. Bij besluit van 12 januari 2008 (hierna: besluit 4) heeft het College appellante meegedeeld dat het saldo van de vordering op 31 december 2007 € 3.753,51 bedraagt en die vordering wordt verhoogd met de loonheffing van € 1.439,43 tot € 5.192,94.

1.8. Bij twee besluiten van 21 januari 2008 (hierna: besluiten 5 en 6) heeft het College bedragen van respectievelijk € 47,66 en € 145,29 van appellante teruggevorderd. Het College heeft daartoe overwogen dat verrekening van inkomsten niet meer mogelijk is en dat daarom de verrekening wordt omgezet in een terugvordering.

1.9. Appellante heeft tegen de besluiten 1 tot en met 6 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van de bezwaren heeft het College via IBF vragen gesteld aan de Attaché Sociale Zaken van de ambassade. Deze heeft bij brief van 3 april 2008 deze vragen beantwoord.

1.10. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1 en 3 tot en met 6 ongegrond verklaard. Voorts heeft het College bij het besluit van 9 juni 2008 het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard en bepaald dat van appellante over de periode van 14 september 2004 tot en met 30 september 2007 een bedrag van € 26,88 wordt teruggevorderd. Tevens heeft het College de kosten van de bezwaarprocedure vergoed tot een bedrag van € 644,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt met betrekking tot besluit 1 tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de rapportage van 11 september 2007 en de door gemachtigde van het College ter zitting van de Raad gegeven toelichting begrijpt de Raad het na bezwaar gehandhaafde besluit 1 aldus dat het College de bijstand van appellante over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 heeft herzien en alsnog rekening heeft gehouden met inkomsten uit verhuur ter hoogte van € 30,42 per maand en de bijstand over de periode van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 heeft ingetrokken op de grond dat appellante beschikt over een vermogen boven de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

4.2. De herziening over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004

4.2.1. In het rapport van de ambassade van 21 september 2004 is vermeld dat op 14 september 2004 een medewerker van de afdeling onroerendgoedbelasting van de gemeente [naam gemeente] in de stad [naam stad] op verzoek van twee buitendienstmedewerkers van de ambassade het registratiesysteem heeft geraadpleegd en dat in dat systeem op naam van appellante en de erfgenamen van [naam echtgenoot] een appartementencomplex met drie appartementen staat geregistreerd. Blijkens een op 27 september 2001 door de burgemeester van [naam stad] geaccepteerde aangifte onroerendezaakbelasting staat appellante onder de naam [erfgenaam 1] en andere erfgenamen vermeld als aangifteplichtige. De aangifte betreft een appartementencomplex met drie appartementen in de gemeente [naam gemeente], wijk [naam wijk], straat [naam straat]. Volgens een op het aangifteformulier geplaatste aantekening is sprake van een ‘overdracht als gevolg van erfstelling’. De Attaché voor Sociale Zaken van de ambassade heeft bij brief van

17 oktober 2007 desgevraagd verklaard dat volgens de Turkse wet op de onroerendgoedbelasting op de aangifte de naam van de aangifteplichtige dient te worden vermeld en dat het zeer onaannemelijk is dat op basis van betaling van belasting een persoon die geen eigenaar is, bij de belasting is geregistreerd.

4.2.2. Gelet op de onder 4.2.1 vermelde gegevens en in aanmerking genomen dat [naam echtgenoot] [in] 1999 is overleden, is het vermoeden gerechtvaardigd dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 mede-eigenaar was van het hiervoor bedoelde appartementencomplex. Dat betekent dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.2.3. Appellante heeft aangevoerd dat uit het feit dat zij onder de naam van haar voormalige echtgenoot is ingeschreven in het Turkse bevolkingsregister blijkt dat het in Nederland uitgesproken echtscheidingsvonnis niet correct in dat register is verwerkt, dat het daarom voor de hand ligt dat de gemeente [naam gemeente] ten onrechte heeft aangenomen dat zij mede-erfgenaam van het appartementencomplex was en dat het College heeft verzuimd een nader onderzoek in te stellen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante daarmee niet aannemelijk gemaakt dat appellante ten tijde hier van belang geen mede-eigenaar van het appartementencomplex was. De Raad merkt in dit verband in de eerste plaats op dat het enkele feit dat het huwelijk van appellante en [naam echtgenoot] [in] 1986 door een Nederlands echtscheidingsvonnis is ontbonden en in het Turkse bevolkingregister van een echtscheiding geen melding wordt gemaakt niet hoeft te betekenen dat het Nederlandse echtscheidingsvonnis niet correct in dat register is verwerkt. Het is immers niet uitgesloten dat appellante Turkije niet om erkenning van het Nederlandse echtscheidingsvonnis heeft gevraagd. De Raad merkt verder op dat de Attaché voor Sociale Zaken van de ambassade in de reeds onder 1.9 genoemde brief van 3 april 2008 desgevraagd heeft verklaard dat de omstandigheid dat in het Turkse bevolkingsregister is vermeld dat appellante [in] 1970 met wijlen de heer [naam echtgenoot] is gehuwd en sedert zijn overlijden als zijn weduwe staat geregistreerd en dat in dat register een datum van echtscheiding ontbreekt betekent dat appellante nimmer officieel is gescheiden van wijlen de heer [naam echtgenoot].

4.2.4. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij geen erfgename kan zijn van wijlen de heer [naam echtgenoot] omdat het Turkse huwelijkvermogensrecht tot 1 januari 2002 een algehele scheiding van goederen kende. Ook die omstandigheid brengt niet mee dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde hier van belang geen mede eigenaar van het appartementencomplex in [naam gemeente] was. De Raad hecht in dit verband betekenis aan de inhoud van de reeds eerder genoemde brief van de Attaché voor Sociale Zaken van de ambassade van 3 april 2008. Deze merkt in dit verband onder meer het volgende op:

“Het Turkse vermogensrecht kende tot 1 januari 2002 inderdaad een algehele scheiding van goederen, echter tenzij anders overeengekomen. Bij het opstellen van huwelijkse voorwaarden waren een aantal varianten mogelijk. Bijvoorbeeld volledige gemeenschap van goederen of gemeenschap van goederen waarbij goederen die aangekocht of verworven zijn voor de datum van het huwelijk buiten beschouwing blijven. Huwelijkse voorwaarden dienen door een notaris te worden opgemaakt.

Of er tussen betrokkene en wijlen haar echtgenoot huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld, is een vraag die zij alleen zelf kan beantwoorden. Echter in beide situaties erft zij in de hoedanigheid van zijn wettige echtgenote.

In het geval er geen huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld heeft zij naar geldend Turks recht op ¼ deel van het vermogen van de erflater en de kinderen hebben recht op ¾ deel van het vermogen tenzij anders is voorzien bij testament.

Indien de aangetroffen goederen op basis van huwelijkse voorwaarden in de gemeenschap van goederen zouden vallen, komt haar bij het overlijden van de echtgenoot de helft van het gemeenschapsvermogen toe. Met betrekking tot de andere helft geldt dat zij naar geldend Turks recht, recht heeft op ¼ deel van het vermogen van de erflater en de kinderen wederom op ¾ deel van het vermogen tenzij anders is voorzien bij testament.

Turkije kent geen centraal testamentenregister dat door een derde geraadpleegd kan worden om vast te stellen of er een testament is opgesteld. Het is voor ons derhalve niet mogelijk te achterhalen of de overleden echtgenoot van betrokkene een testament had opgesteld. Hoe dan ook geldt in Turkije de regeling van de zogenaamde legitieme portie waarbij de echtgenote altijd recht heeft op het gehele erfdeel bij versterf, te weten ¼ deel. Zoals hierboven ook aangegeven wordt het vermogen van de erflater bij afwezigheid van een testament voor ¼ aan de vrouw en voor ¾ aan de kinderen toebedeeld.”

4.2.5. Appellante heeft verder aangevoerd dat in het kadaster van de stad [naam stad] geen onroerende zaken op haar naam staan geregistreerd. Ook die omstandigheid betekent nog niet dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen mede-eigenaar van het appartementencomplex in [naam gemeente] was. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de gedingstukken en met name uit een schrijven van het hoofd van het kadaster van [naam stad] van 15 september 2004 blijkt dat op naam van [naam echtgenoot] een kavel bouwgrond staat geregistreerd en dat het gaat om dezelfde kavel waarop het appartementencomplex is gebouwd. De omstandigheid dat in het kadaster alleen de bouwkavel staat vermeld wijst erop dat het appartementencomplex op dit perceel niet bij het kadaster is gemeld. Voorts wijst de omstandigheid dat het perceel nog steeds op naam van de reeds [in] 1999 overleden [naam echtgenoot] staat geregistreerd erop dat het perceel en het daarop gebouwde appartementencomplex nog niet officieel tussen diens erfgenamen is verdeeld.

4.2.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 is overwogen neemt de Raad als vaststaand aan dat appellante ten tijde hier van belang mede-eigenaar was van het appartementencomplex te [naam gemeente]. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad het vermoeden dat appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de over de huuropbrengst van dit complex naar rato van haar aandeel in de mede-eigendom.

4.2.7. Appellante heeft gesteld dat de huur van de appartementen door Seyfettin Dolu (hierna: Dolu) werd geïnd en dat deze daarmee schulden van wijlen de heer [naam echtgenoot] afloste. Ter onderbouwing van die stelling wijst appellante op de in het rapport van 21 september 2004 weergegeven verklaring van een van de huurders en op de in bezwaar overgelegde verklaring van Dolu van 15 december 2007. Daarmee heeft appellante echter niet aannemelijk gemaakt dat zij niet beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over haar aandeel in de huuropbrengst. De door appellante gestelde omstandigheid betreft immers niet de vraag of appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over haar aandeel in de huuropbrengst maar betreft de wijze van besteding van dat inkomen.

4.2.8. Het College heeft op basis van de rapportage van 21 september 2004 aangenomen dat de huuropbrengst van het appartementencomplex gedurende de hier te beoordelen periode € 213,-- per maand bedroeg en dat het aandeel van appellante € 30,42 bedroeg. Appellante heeft de omvang van de huuropbrengst van het appartementencomplex niet betwist. Datzelfde geldt voor het door het College gehanteerde aandeel van appellante in de eigendom van dat complex.

4.2.9. Hetgeen onder 4.2.6 tot en met 4.2.8 is overwogen brengt mee dat appellante ten tijde hier van belang beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen uit verhuur ter hoogte van € 30,42 per maand. Daarvan heeft zij in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het College. Als gevolg hiervan is aan haar tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 te herzien en alsnog met die inkomsten rekening te houden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het voorgaande betekent dat het besluit van 9 juni 2008, voor zover daarbij de herziening over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 is gehandhaafd, in stand kan blijven.

4.3. De intrekking over de periode van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007

4.3.1. Het College heeft aan de intrekking van de bijstand over de periode van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 ten grondslag gelegd dat appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. Volgens het College was appellante tot 2 november 2004 eigenaar van een uit drie verdiepingen bestaande woning in [plaatsnaam], wijk [naam wijk], straat [adres] en heeft zij op 2 november 2004 die woning aan haar dochter [naam dochter] verkocht. Het College heeft voorts het netto vermogen van appellante op 2 november 2004 bepaald door op de getaxeerde waarde van de woning (een bedrag van € 29.353,--) de voor appellante toepasselijke vermogensgrens (een bedrag van € 5.065,--) in mindering te brengen. Het College heeft vervolgens vastgesteld dat appellante van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 op haar vermogen moet interen. Het College heeft bij de vaststelling van de interingsperiode in aanmerking genomen dat appellante een inkomen van € 30,42 per maand heeft uit de verhuur van haar appartementen in de gemeente [naam gemeente].

4.3.2. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand een voor appellante belastend besluit is. Dat betekent dat het op de weg van het College ligt om aannemelijk te maken dat appellante van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. Het College is er niet in geslaagd dat bewijs te leveren. De Raad acht in dat kader van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de onder 4.3.1 genoemde woning vanaf 2 november 2004 in het kadaster van de gemeente [naam gemeente] op naam van haar dochter staat geregistreerd. Verder staat vast dat het College niet de nodige kennis heeft vergaard om het vermogen van appellante gedurende de hier te beoordelen periode vast te stellen. Zo heeft het College niet onderzocht of de betreffende dochter appellante heeft betaald voor de overschrijving van de woning op haar naam en zo ja wat appellante met dat geld heeft gedaan. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat de intrekking van de bijstand niet kan worden gebaseerd op een abstracte interingsberekening als onder 4.3.1 is weergegeven. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting van de Raad desgevraagd erkend.

4.3.3. Hetgeen onder 4.3.2 is overwogen betekent dat het onderzoek naar de vermogenspositie van appellante ten tijde in geding niet met de nodige zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden en dat het besluit van 9 juni 2008, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 is gehandhaafd, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het besluit van 9 juni 2008 komt daarom in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

4.4. Nu het besluit tot intrekking over de periode van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 niet in stand kan blijven, is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen. Dat betekent dat het besluit van 9 juni 2008, voor zover daarbij de terugvordering over de periodes van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 en van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 is gehandhaafd, voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad merkt in verband op dat een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand.

4.5. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.3.3 en 4.4 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrond verklaring van het beroep - het besluit van 9 juni 2008 vernietigen voor zover daarbij de bij besluit 1 bepaalde intrekking en de terugvordering zijn gehandhaafd.

4.6. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb besluit 1 te herroepen voor zover dat op de intrekking van de bijstand ziet. De Raad overweegt daartoe dat aan besluit 1 in zoverre dezelfde gebreken kleven als aan het besluit 9 juni 2008 en die gebreken naar zijn oordeel, mede gelet op het tijdsverloop, thans niet meer kunnen worden hersteld.

4.7. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb te bepalen dat het bedrag van de bij besluit 1 bepaalde terugvordering € 3.212,78 (bruto) beloopt. Hetgeen onder 4.2.9 is overwogen brengt immers mee dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de als gevolg van de herziening tot een te hoog bedrag verleende bijstand over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 van appellante terug te vorderen en hetgeen appellante heeft aangevoerd levert naar het oordeel van de Raad geen grond op voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken. De omvang van het terug te vorderen bedrag heeft de Raad bepaald door de op pagina 3 van de in het rapport van 11 september 2007 genoemde netto bedragen ter hoogte van € 1.568,66 en € 621,58 en het verschil tussen de in het rapport van 18 september 2007 genoemde bruto en netto bedragen ter hoogte van € 671,20 (het verschil tussen € 22.982,24 bruto - € 22.311,04 netto) en € 351,34 (het verschil tussen € 972,92 bruto - € 621,58 netto) bij elkaar op te tellen.

5. De Raad komt met betrekking tot besluit 3 tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad begrijpt dat het College aan de handhaving van de bij besluit 3 opgelegde verlaging van de bijstand met 30% gedurende een maand met ingang van 1 december 2007 ten grondslag heeft gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet of onvoldoende is nagekomen door geen mededeling te doen van haar inkomsten uit verhuur over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 en door niet te melden dat zij van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 beschikte over een vermogen boven de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Het College heeft daarbij overwogen dat het aan appellante verweten gedrag deels onder de vorige en deels onder de huidige Maatregelenverordening valt en dat op grond van overgangsrecht toepassing is gegeven aan de oude Maatregelenverordening omdat dat tot een voor appellante gunstiger resultaat leidt. Het College heeft het benadelingsbedrag vastgesteld op € 28.043,29,--.

5.2. De Raad stelt voorop dat de opgelegde verlaging moet worden aangemerkt als een punitieve sanctie. De verlaging is immers gericht op sanctionering van schending van de inlichtingenverplichting boven op de herziening en de intrekking van de bijstand en de terugvordering van hetgeen als gevolg van die schending onverschuldigd is betaald.

5.3. De Raad stelt vervolgens vast dat artikel 18, tweede lid, van de WWB met ingang van 1 januari 2005 in werking is getreden (Stb. 2003, 386) en dat het College geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB eerder uitvoering te geven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB. Uit de uitspraak van de Raad van 6 december 2005 (LJN AU7664) volgt dat het College vanaf 1 januari 2005 aan artikel 18, tweede lid, van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot verlaging van de bijstand over te gaan ook in het geval de gedraging plaatsvond voor het van kracht worden van artikel 18, tweede lid, van de WWB. In dat geval dient de gedraging waarvoor het bestuursorgaan voornemens is de bijstand te verlagen zowel onder de WWB als onder de Algemene bijstandswet (Abw) grondslag voor het opleggen van een sanctie te zijn. Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan vervolgens bij de uitoefening van de in artikel 18, tweede lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid te bezien of het (standaard)sanctieregime onder de WWB een zwaardere sanctie voorschrijft dan het (standaard)sanctieregime onder de Abw. Is daarvan geen sprake, dan levert onverkorte toepassing van het sanctieregime onder de WWB geen strijd op met artikel 7, eerste lid, laatste volzin van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 15, eerste lid, tweede volzin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

5.4. De verplichting voor appellante om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand vindt onder de WWB haar grondslag in artikel 17, eerste lid, en onder de Abw in artikel 65, eerste lid.

5.5. Volgens appellante ontbeert de opgelegde verlaging feitelijke grondslag omdat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.3.2 is overwogen is de Raad van oordeel dat het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 de inlichtingenverplichting heeft geschonden door hem niet tijdig en volledig te informeren over haar vermogen. Dat betekent dat het besluit tot verlaging van de bijstand niet op een deugdelijke motivering berust. Het besluit van 9 juni 2008, voor zover daarbij besluit 3 is gehandhaafd, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

5.6. De rechtbank heeft hetgeen onder 5.5 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak (ook) om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 9 juni 2008 vernietigen voor zover daarbij besluit 3 is gehandhaafd.

5.7. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb te bepalen dat het percentage van de bij besluit 3 opgelegde verlaging 20% bedraagt. De Raad overweegt daartoe als volgt.

5.7.1. Gelet op hetgeen de Raad onder 4.2.9 heeft overwogen, staat vast dat appellante over de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College niet tijdig en volledig in te lichten over haar inkomsten uit verhuur. Van de schending van de inlichtingenverplichting over deze periode kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het College was dan ook gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellante te verlagen overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. De hier bedoelde verordening is de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: Maatregelverordening).

5.7.2. Op grond van artikel 12 van de Maatregelverordening wordt de maatregelwaardige gedraging, die heeft plaatsgevonden voorafgaand aan of op de peildag, beoordeeld naar de regels uit de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand (hierna Maatregelverordening WWB), tenzij de regels uit deze verordening gunstiger zijn. De Raad stelt vast dat de schending van de inlichtingenverplichting de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 betreft en dat die periode is gelegen voor de hiervoor bedoelde peildag. De Raad stelt verder vast dat de regels uit de Maatregelenverordening WWB gunstiger zijn dan de regels uit de Maatregelverordening. De Raad gaat er daarbij onder verwijzing naar hetgeen onder 4.7 is overwogen van uit dat het College als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting voor een bedrag van € 3.212,7 8 is benadeeld. Uitgaande van dat benadelingsbedrag bedraagt de verlaging op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Maatregelenverordening WWB 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand, terwijl de verlaging op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Maatregelverordening ten minste 20% en ten hoogste 30% van de bijstandsnorm gedurende een maand zou bedragen.

5.7.3. De Raad stelt voorts vast dat de (standaard)sanctie voor appellante onder de WWB en de Maatregelenverordening WWB gunstiger is dan de (standaard)sanctie zoals deze onder de Abw zou gelden. De sanctie van 20% van de voor appellante geldende bijstandsnorm (€ 872,34) gedurende een maand komt neer op een bedrag van € 174,47, terwijl een sanctie op grond van artikel 14a van de Abw en het daarop gebaseerde Boetebesluit socialezekerheidswetten zou leiden tot een sanctie van € 330,-- (10% van het benadelingsbedrag van € 3.212,78 naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,--).

5.7.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellante, de mate waarin haar die gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij verkeert aanleiding geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening WWB de verlaging van de bijstand op een lager bedrag te stellen. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd evenmin een grond om te oordelen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Maatregelverordening WWB.

6. De Raad komt met betrekking tot besluit 4 tot de volgende beoordeling.

6.1. De Raad begrijpt het na bezwaar gehandhaafde besluit 4 aldus dat de vordering vastgesteld bij besluit 1, voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 mei 2007 en voor zover deze op 31 december 2007 niet is afgelost, wordt gebruteerd. De brutering betreft een bedrag ter hoogte van € 1.439,43.

6.2. In 4.4 is overwogen dat het besluit van 9 juni 2008, voor zover daarbij de terugvordering over de periodes van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004 en van 2 november 2004 tot en met 12 mei 2007 is gehandhaafd, niet in stand kan blijven. Dat betekent dat aan de brutering van het over de periode van 1 januari 2007 tot en met 12 mei 2007 teruggevorderde en op 31 december 2007 nog niet terugbetaalde bedrag de grondslag is komen te ontvallen. Dat betekent dat het besluit van 9 juni 2008, voor zover daarbij besluit 4 is gehandhaafd, voor vernietiging in aanmerking komt.

6.3. De rechtbank heeft hetgeen onder 6.2 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak (ook) om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 9 juni 2008 vernietigen voor zover daarbij besluit 4 is gehandhaafd.

6.4. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb besluit 4 te herroepen. Aan besluit 4 kleven immers dezelfde gebreken als aan het besluit van 9 juni 2008 waarbij besluit 4 is gehandhaafd en niet aannemelijk is dat deze gebreken nog kunnen worden hersteld bij een nieuwe beslissing op het daartegen gemaakte bezwaar.

7. De Raad komt met betrekking tot besluit 2, zoals gewijzigd na bezwaar, en met betrekking tot de besluiten 5 en 6 tot de volgende beoordeling.

7.1. Gelet op de rapportage van 18 september 2007, waarnaar in het besluit van juni 2008 is verwezen, begrijpt de Raad besluit 2, zoals dat na bezwaar is gewijzigd, aldus dat het College de bijstand van appellante over november 2004 heeft herzien en alsnog rekening heeft gehouden met inkomsten uit verhuur van de appartementen in het appartementencomplex te [naam gemeente] ter hoogte van € 30,42. Tevens heeft het College de kosten van de aan appellante over november 2004 verleende bijstand tot een bedrag van € 26,88 van haar teruggevorderd.

7.2. Gelet op de rapportage van 18 september 2007 begrijpt de Raad de na bezwaar gehandhaafde besluiten 5 en 6 aldus dat het College de bijstand over de periodes van 14 september 2004 tot en met 31 oktober 2004 en van 1 mei 2007 tot en met 30 september 2007 heeft herzien en alsnog rekening heeft gehouden met inkomsten uit verhuur van de appartementen in het appartementencomplex te [naam gemeente] ter hoogte van € 30,42 per maand. Voorts heeft het College de kosten van de over die periodes verleende bijstand tot een bedrag van respectievelijk € 47,66 en € 145,29 van haar teruggevorderd.

7.3. Naar het oordeel van de Raad bestaat er voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellante in de periodes van 14 september 2004 tot en met 30 november 2004 en van 1 mei 2007 tot en met 30 september 2007 inkomsten heeft gehad uit de verhuur van de appartementen in het appartementencomplex te [naam gemeente] ter hoogte van € 30,42 per maand. De Raad verwijst naar hetgeen is overwogen onder 4.2.1 tot en met 4.2.9 en merkt op dat appellante niet heeft gesteld en evenmin uit de gedingstukken blijkt dat ten aanzien van die huurinkomsten de situatie in de genoemde periodes een andere is dan die in de periode van 14 september 1999 tot en met 13 september 2004. Nu tussen partijen niet in geschil is dat appellante van die inkomsten bij het College geen mededeling heeft gedaan was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periodes van 14 september 2004 tot en met 30 november 2004 en van 1 mei 2007 tot en met 30 september 2007 te herzien en alsnog rekening te houden met de huurinkomsten van appellante ter hoogte van € 30,42 per maand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

7.4. Hetgeen onder 7.3 is overwogen betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de aan appellante over de periodes van 14 september 2004 tot en met 30 november 2004 en van 1 mei 2007 tot en met 30 september 2007 verleende bijstand van haar terug te vorderen. Appellante heeft de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet bestreden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

7.5. De Raad komt, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3 en 7.4 is overwogen tot de conclusie dat het besluit van 9 juni 2008 in stand kan blijven voor zover daarbij besluit 2 is gewijzigd en de besluiten 5 en 6 zijn gehandhaafd.

8. Kosten

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 juni 2008 voor zover daarbij de bij besluit 1 bepaalde intrekking en de terugvordering alsmede de besluiten 3 en 4 zijn gehandhaafd;

Herroept besluit 1 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand;

Bepaalt dat het bedrag van de bij besluit 1 bepaalde terugvordering € 3.212,88 (bruto) bedraagt;

Bepaalt dat het percentage van de besluit 3 opgelegde verlaging 20% bedraagt;

Herroept besluit 4;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.610,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,--vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) K. Moaddine.

NK