Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
08/5704 WWB + 10/2616 WWB + 10/5329 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. 2) Terugvordering. 3) Bij nader besluit heeft het College, in verband met een wijziging in de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van terugvordering bij verzwegen vermogen boven de vrijlatingsgrens, de intrekking van de bijstand gehandhaafd en de terugvordering beperkt. 4) Intrekking bijstandsuitkering. Bedrag van de terugvordering verder beperkt. College heeft niet langer vastgehouden aan de eerder bepleite interingsnorm met de factor 1,5. Geen dringende reden af te zien van terugvordering. Beroep tegen besluit 4 is ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5704 WWB

10/2616 WWB

10/5329 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2008, 07/1237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Schreurs, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schreurs. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen een schriftelijke reactie te geven op het nadere besluit van het College van 7 mei 2010. Van de zijde van appellant is hierop gereageerd bij brief van 1 juni 2010 met bijlagen. Na verdere correspondentie tussen partijen heeft het College op 17 september 2010 nogmaals een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 7 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schreurs. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lo Fo Sang.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sinds 22 juli 1994 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst begin 2006 dat appellant over zes bankrekeningen beschikt, heeft het College een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit de onderzoeksbevindingen is geconcludeerd dat appellant rekeningen bij de ING Bank ([nr. 1] en [nr. 2]) en bij Demir Halk Bank ([nr. 3]) niet aan het College heeft gemeld en dat het totale tegoed van alle op naam van appellant staande rekeningen de grens van het vrij te laten vermogen over de gehele periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 te boven ging.

1.2. Bij besluit van 14 september 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat hij beschikt over een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens overschrijdt. Bij besluit van 22 februari 2007 (hierna: besluit 1) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant drie bankrekeningen en een erfenis heeft verzwegen, dat de bescheiden schaalregeling slechts ziet op een bepaalde wijze van verrekening van inkomsten, dat hij sinds 28 maart 2000 beschikt over een vermogen boven de vermogensgrens en dat als gevolg van de schending van de wettelijke inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 8 november 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 73.319,54 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 1 maart 2007 (hierna: besluit 2) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het beroep op de zesmaanden-jurisprudentie niet opgaat en dat niet is gebleken van omstandigheden om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in dit geding van belang, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, de beroepen tegen besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, deze besluiten wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het totale saldo op de deels verzwegen bankrekeningen van appellant gedurende de gehele periode in geding de toepasselijke vermogensgrens overschreed, dat appellant ter zake daarvan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen, dat het College ten aanzien van die periode bevoegd was tot intrekking en terugvordering, dat de bepleite interingsnorm met een factor 1,5 bij de terugvordering terecht niet is gehanteerd en dat het beroep op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie faalt omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat appellant niet kan worden verweten dat hij destijds geen volledige opgave van zijn vermogen heeft gedaan, dat het College is tekortgeschoten in zijn voorlichting omtrent de vraag of (ook) bij gebruikers van de zogenoemde bescheiden schaalregeling een vermogenstoets wordt gehanteerd en dat ook in het kader van de terugvordering de interingsformule van 1,5 maal de bijstandsnorm dient te worden gehanteerd.

4. Bij nader besluit van 7 mei 2010 (hierna: besluit 3) heeft het College, in verband met een wijziging in de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van terugvordering bij verzwegen vermogen boven de vrijlatingsgrens, de intrekking van de bijstand gehand-haafd en de terugvordering beperkt tot de periode van 28 maart 2000 tot en met 30 september 2004 en tot een bedrag van € 52.668,37 bruto, een en ander volgens een daarbij gevoegde herberekening met toelichting. Daarbij is het College ervan uitgegaan dat bij gebreke van toereikende gegevens het recht op bijstand over de periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2001 niet is vast te stellen en de kosten van bijstand over die periode integraal dienen te worden teruggevorderd. Het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 is volgens het College daarentegen wel vast te stellen en leidt vervolgens tot een matiging van het over die periode teruggevorderde bedrag.

5. Bij brief van 1 juni 2010 met bijlagen heeft appellant gereageerd op besluit 3. Daarbij is gemotiveerd aangegeven dat ook de periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2001 in de matiging van de terugvordering dient te worden betrokken.

6. Bij een nieuw nader besluit van 17 september 2010 (hierna: besluit 4) heeft het College de terugvordering verder beperkt tot de periode van 28 maart 2000 tot en met 28 juni 2003 en van 1 september 2003 tot en met 31 maart 2004 hetgeen resulteert in een verder gematigd terug te vorderen bedrag van € 44.390,12 bruto.

7. Bij brief van 4 november 2010 heeft appellant aangegeven dat hij zich op zichzelf kan verenigen met de bij besluit 4 bijgevoegde berekening van het terug te vorderen bedrag. Hij blijft zich echter op het standpunt stellen dat de interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm moet worden aangehouden, dat hem geen verwijt treft dat hij geen volledige opgave van zijn vermogen heeft gedaan, dat de rechtsgevolgen van de besluiten 1 en 2 ten onrechte in stand zijn gelaten, dat hij er na de brief van 19 september 2006 op mocht vertrouwen dat de intrekking (en terugvordering) beperkt bleef tot de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 september 2006 en dat er dringende redenen zijn om verdergaand af te zien van terugvordering.

8. De Raad komt naar aanleiding van de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting tot de volgende beoordeling, waarbij hij de besluiten 3 en 4 met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling zal betrekken.

8.1. De aangevallen uitspraak

8.1.1. De Raad stelt voorop dat het College besluit 2 voor zover dat ziet op de terugvordering, gelet op de nadere besluiten 3 en 4, niet langer handhaaft. De aangevallen uitspraak komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 in stand zijn gelaten.

8.1.2. Tussen partijen staat vast dat appellant over de gehele hier te beoordelen periode van 28 maart 2000 tot en met 14 september 2006, zijnde de datum van het primaire intrekkingsbesluit, beschikte over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens en dat hij daarvan geen opgave heeft gedaan aan het College. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wordt door appellant thans niet langer betwist dat hij de wettelijke inlichtingenverplichting niet volledig is nagekomen en is door hem voorts erkend dat hij aan de brief van 19 september 2006 strikt genomen geen gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat de hem verleende bijstand over de periode vóór 1 januari 2006 niet meer zou worden ingetrokken en/of teruggevorderd.

8.1.3. Het College was, gelet op hetgeen onder 8.1.2 is overwogen, bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken over de in geding zijnde periode. De wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt is door appellant verder niet bestreden. Voor zover de aangevallen uitspraak ziet op de intrekking kan deze dan ook in stand blijven.

8.2. Besluit 3

8.2.1. Nu uit hetgeen onder 6 is overwogen blijkt dat het College besluit 3 niet langer handhaaft, dient het daartegen gerichte beroep gegrond te worden verklaard. De Raad zal besluit 3 vernietigen.

8.3. Besluit 4

8.3.1. Voor de intrekking van de bijstand verwijst de Raad naar hetgeen hiervoor onder 8.1.2 en 8.1.3 is overwogen.

8.3.2. Ter nadere vaststelling van de terugvordering over de periode vanaf 28 maart 2000 heeft het College aan de hand van de voorhanden financiële gegevens waaronder bank- en giroafschriften een berekening opgesteld, die als bijlage bij besluit 4 is gevoegd. Volgens deze berekening is eerst het op 28 maart 2000 in aanmerking te nemen vermogen vastgesteld, is daarop het destijds geldende bedrag van de vermogensvrijlating in mindering gebracht en is vervolgens op dat vermogen een interingsberekening toegepast met de factor 1 (dat wil zeggen naar de toepasselijke bijstandsnorm). Na afloop van die aldus berekende periode van 39 maanden is het vermogen, waarbij het reeds in aanmerking genomen vermogen niet meer is meegenomen, opnieuw vastgesteld (zonder vermogensvrijlating). Daarbij is vastgesteld dat met ingang van 29 juni 2003 geen sprake is van vermogensoverschrijding volgens deze berekening, en dus recht op bijstand. Verder is vastgesteld dat op 1 september 2003 weer sprake was van een vermogens-overschrijding en is vervolgens weer een nieuwe interingsberekening gemaakt. Bij het bereiken van de einddatum van de aldus berekende interingsperiode zou - theoretisch - in beginsel weer aanspraak op bijstand hebben bestaan, zodat vanaf die datum niet meer is teruggevorderd. De Raad stelt vast dat de (wijze van) berekening van het terug te vorderen bedrag op zichzelf tussen partijen niet meer in geschil is.

8.3.3. De Raad stelt vervolgens vast dat appellant ter zitting van de Raad van 7 december 2010 onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423, niet langer heeft vastgehouden aan de eerder bepleite interingsnorm met de factor 1,5. De Raad zal dit punt dan ook verder buiten bespreking laten.

8.3.4. Tussen partijen resteert thans nog als geschilpunt of in het geval van appellant sprake is van dringende redenen die het College nopen tot het verdergaand matigen van de terugvordering dan reeds in besluit 4 is neergelegd. Appellant heeft in dat verband betoogd dat hij de terug- en invordering ervaart als een loden last die inspiratie en energie vreet en hem belet op normale wijze en niveau zijn beroep van kunstenaar uit te oefenen. De Raad ziet hierin echter geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van het ter zake door het College gevoerde terugvorderingsbeleid en evenmin dat bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die het College ertoe hadden moeten brengen om in afwijking van dat beleid de terugvordering nog verdergaand te matigen. De Raad merkt in dat verband nog op dat appellant als schuldenaar de bescherming heeft, en deze zo nodig kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

9. Proceskosten

9.1. Het College heeft ter nadere zitting van de Raad nog aangevoerd dat een veroordeling in de proceskosten in dit geding niet op zijn plaats is omdat de besluiten 3 en 4 van het College zijn ingegeven door gewijzigde jurisprudentie van de Raad zoals neergelegd in de uitspraak van 21 april 2009, LJN BH9423. De Raad volgt het College niet in die opvatting. In de omstandigheid dat ten tijde van de genomen besluiten 1 en 2 in de jurisprudentie nog een andere uitleg aan de bepaalde wetsartikelen werd gegeven, acht de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant geen proceskostenvergoeding toekomt.

9.2. De Raad ziet dan ook aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,-- (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting) vermeerderd met € 161,-- (0,5 punt voor schriftelijke reactie op besluit 3) wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 maart 2007 in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2010 gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 mei 2010;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 september 2010 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

HD