Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
09-4125 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie is terecht opgelegd. Onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond. Geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er op datum actueel oordeel sprake was van benutbare mogelijkheden. De werknemer is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Dat betrokkene de werknemer in staat heeft gesteld zijn werk een aantal uren - zij het tevergeefs - te hervatten is onvoldoende. Dat aan werknemer inmiddels een WIA-uitkering is toegekend maakt het niet anders, aangezien deze beoordeling in een geheel ander kader en achteraf heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4125 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 juni 2009, 08/4259 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.P.W. van Bohemen, advocaat te Alphen aan den Rijn een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Bohemen. Tevens zijn voor betrokkene verschenen [naam directeur], directeur, [naam werkneemster] en [B.].

II. OVERWEGINGEN

1.1. [naam werkneemster] (hierna: de werknemer) was laatstelijk werkzaam bij betrokkene als fulltime planner en heeft zich op 5 januari 2006 ziek gemeld, onder andere met chronische hoofdpijnklachten.

1.2. Bij besluit van 9 november 2007 heeft appellant het tijdvak waarin de werknemer jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest en daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA.

1.3. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 2008 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat als uitgangspunt dient te gelden dat de werkgever van de advisering van de bedrijfsarts uit mag gaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van dat advies. Die omstandigheden waren er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet zodat betrokkene mocht afgaan op het standpunt van de bedrijfsarts en mocht aannemen dat er bij de werknemer vooralsnog geen sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden. Daarbij heeft de rechtbank ook van belang geacht dat inmiddels was gebleken dat de werknemer een WIA-uitkering ontvangt en daarbij 80-100% arbeidsongeschikt is bevonden omdat de arbeidsdeskundige voor de werknemer geen functies kan duiden welke de werknemer met zijn beperkingen nog zou kunnen verrichten. De rechtbank was dan ook van oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkene ten aanzien van de werknemer is tekortgeschoten in haar re-integratie-verplichtingen zodat het Uwv ten onrechte de loondoorbetalingsverplichting voor betrokkene heeft verlengd met 52 weken.

3. In hoger beroep is door appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713, aangevoerd dat re-integratie in de eerste plaats en bovenal de verantwoordelijkheid van de werkgever (en de werknemer) is. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arboarts/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid. Appellant herhaalt voorts zijn standpunt dat op datum actueel oordeel van 10 september 2007 geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, dat het advies van de bedrijfsarts niet ondubbelzinnig was en dat geen deugdelijke grond kan worden aangedragen waarom niet eerder is gestart met daadwerkelijke werkhervatting.

4. Betrokkene is - samengevat weergegeven - van mening dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad is met appellant van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij betrokkene als werkgever ligt. Het Uwv heeft daarvoor terecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713. De Raad ziet in hetgeen door betrokkene is aangevoerd geen reden daarover thans anders te oordelen.

5.3. De Raad overweegt voorts dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

5.4. De verzekeringsarts heeft op 25 oktober 2007 aangegeven dat de werknemer in staat is tot werkhervatting in psychisch en sociaal weinig belastend werk. De inschatting door de bedrijfsarts van de arbeidsbelastbaarheid in het actueel oordeel van 10 september 2007 imponeert daarbij volgens de verzekeringsarts dubbelzinnig. De bedrijfsarts kon naar de mening van de verzekeringsarts geen deugdelijke grond aandragen waarom niet eerder is gestart met daadwerkelijke structurele werkhervatting ondanks de nog lopende medische behandelingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de bevindingen van de verzekeringsarts - na kennisneming van de informatie van de huisarts van 29 maart 2008 en anesthesioloog-pijnspecialist van 28 maart 2008 - bevestigd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is sprake van hoofdpijnklachten waarvoor tot op heden geen duidelijke oorzaak gevonden is. Er is geen sprake van een situatie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Verder is volgens de bezwaarverzekeringsarts de intensiteit van de behandelingen niet zodanig geweest dat deze gedurende de gehele ziekteperiode niet verenigbaar zou zijn geweest met arbeidsinspanningen.

5.5. De Raad heeft geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er op datum actueel oordeel sprake was van benutbare mogelijkheden. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de verzekeringsarts dat de inschatting van de bedrijfsarts op datum actueel oordeel dubbelzinnig was. Enerzijds geeft de bedrijfsarts aan dat de werknemer nog niet werkt, maar waarschijnlijk wel weer kan werken, anderzijds stelt zij een FML op voor fulltime werken in weinig stresserend werk en heeft zij in de medische informatie van

20 september 2007 aangegeven dat de werknemer niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dat zij in het overleg met de verzekeringsarts op 25 oktober 2007 aangeeft dat de werknemer niet tot werken in staat is, acht de Raad hiermee niet in overeenstemming en blijk geven van inconsistentie.

Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht het standpunt ingenomen dat er re-integratie-inspanningen verricht hadden moeten worden. Hiervan is echter geen of onvoldoende sprake geweest. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de verzekeringsarts dat een meer gedragsmatige, tijdcontingente aanpak aangewezen was geweest en ziet in navolging van de verzekeringsarts geen goede reden waarom niet is overgegaan tot deze aanpak nu de bedrijfsarts blijkens de medische informatie van 6 september 2007 zelf al heeft aangegeven dat de werknemer niet onwillend tegenover deze aanpak zou staan. Dat betrokkene de werknemer in staat heeft gesteld zijn werk een aantal uren - zij het tevergeefs - te hervatten is in dit verband onvoldoende. De Raad onderschrijft verder de conclusie van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad. Appellant is mitsdien op goede gronden overgegaan tot het opleggen van een loonsanctie.

5.6. Betrokkene heeft nog aangevoerd dat hij inmiddels per 1 januari 2009 in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering die op arbeidskundige gronden wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad is in dit verband, anders dan de rechtbank, van oordeel dat deze beoordeling in een geheel ander kader en achteraf heeft plaatsgevonden. Daaruit kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in de periode van 104 weken voorafgaand aan de datum einde wachttijd. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraken van 18 augustus 2010 (LJN BN4419) en 29 september 2010 (LJN BN8780).

6.1. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.6 is overwogen volgt dat de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

6.2. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR