Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
10-2442 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing schadevergoeding. Langere behandelingsduur in de rechterlijke fase. Behandeling bij de Raad heeft weliswaar gedurende enige tijd stilgelegen, maar merkt tevens op dat er in de totale rechterlijke fase bij de Raad gedurende ruim vijf jaren steeds voortgang in de behandeling is geweest. Bij de Raad zijn meermalen deskundigen ingeschakeld, deels in verband ook met het verzoek van betrokkene tot inschakeling van een deskundige dichter bij zijn woonplaats. De raadpleging van die deskundigen door de Raad heeft vanaf de eerste vraagstelling op 15 mei 2007 tot het laatst uitgebrachte rapport van 18 mei 2009 iets meer dan twee jaar geduurd. De Raad ziet aanleiding een behandelingsduur van vier jaar voor de rechterlijke fase gerechtvaardigd te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2442 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie, hierna: Staat).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2005, 04/2272, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.

Bij uitspraak van 28 april 2010 (LJN BM3436) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft E.H. Linckens, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Betrokkene is verschenen. De Staat heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De uitspraak van de Raad van 28 april 2010 betreft een procedure tussen betrokkene en het Uwv, die betrekking heeft op betrokkenes aanspraak op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad van 28 april 2010, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van betrokkene op 12 maart 2004, zes jaar en ruim één maand geduurd. In die uitspraak heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling in de rechterlijke fase door de rechtbank nog geen acht maanden heeft geduurd en de behandeling van het hoger beroep door de Raad ruim vijf jaar. De Raad heeft hieraan het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn door de Raad is overschreden. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.

1.2. Namens de Staat is – kort weergegeven – uiteengezet dat wordt onderschreven dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden. Daarbij is te kennen gegeven dat een vergoeding van € 2000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. De Staat heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een langere behandelingsduur in de rechterlijke fase gerechtvaardigd was nu door de Raad meermalen een deskundige is ingeschakeld. Hierdoor heeft de procedure twee jaar langer geduurd. De Staat acht in dit geval een verlenging van de termijn met zes maanden redelijk. Steun voor dit standpunt vindt de Staat in de uitspraak van de Raad van 17 februari 2010, LJN BL5224.

1.3. Betrokkene ziet in het feit dat meermalen deskundigen zijn ingeschakeld geen reden voor verlenging van de redelijke termijn. Die inschakeling wordt door hem niet noodzakelijk geacht, omdat de Raad al kennis droeg van de bevindingen van de hem behandelende medici die een afdoend beeld hebben geschetst van zijn medische situatie.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad onder meer overwogen dat in een procedure in drie instanties in zaken zoals deze het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 2.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.3. De Raad ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding een langere behandelingsduur in de rechterlijke fase gerechtvaardigd te achten. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de behandeling bij de Raad weliswaar gedurende enige tijd heeft stilgelegen, maar merkt tevens op dat er in de totale rechterlijke fase bij de Raad gedurende ruim vijf jaren steeds voortgang in de behandeling is geweest. Bij de Raad zijn meermalen deskundigen ingeschakeld, deels in verband ook met het verzoek van betrokkene tot inschakeling van een deskundige dichter bij zijn woonplaats. De raadpleging van die deskundigen door de Raad heeft vanaf de eerste vraagstelling op 15 mei 2007 tot het laatst uitgebrachte rapport van 18 mei 2009 iets meer dan twee jaar geduurd.

2.4. Niet gezegd kan worden dat het inschakelen van deskundigen achterwege had behoren te blijven vanwege de aanwezigheid van inlichtingen van de behandelende medici, zoals betrokkene heeft betoogd. Het is aan de bestuursrechter om te bepalen of hij voor zijn eigen oordeelsvorming het noodzakelijk acht te beschikken over één of meer adviezen van medisch deskundigen. Het gegeven dat al medische gegevens omtrent betrokkenes gezondheidstoestand aanwezig waren doet daaraan niet af.

2.5. Gezien deze omstandigheden ziet de Raad aanleiding een behandelingsduur van vier jaar voor de rechterlijke fase gerechtvaardigd te achten.

2.6. De Raad stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 12 maart 2004 zes jaren en ruim één maand zijn verstreken. De redelijke termijn – in dit geval te stellen op vier en een half jaar – is derhalve met één jaar en zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van vier maal € 500,-, dit is € 2000,-, ten laste van de Staat.

2.7. Het onder 2.1 tot en met 2.6 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 2000,-.

2.8. Ten slotte overweegt de Raad, dat de door betrokkene ter zitting herhaalde grond dat hij door de wijze van uitbetaling van achterstallige uitkering door het Uwv belastingschade heeft geleden niet valt binnen de omvang van het hier aan de orde zijnde verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Betrokkene kan zich rechtstreeks tot het Uwv wenden, indien hij meent recht te hebben op vergoeding van door hem geleden belastingschade als voormeld en verzoeken daaromtrent een beslissing te nemen.

3. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding van € 2000,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK