Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
09-6800 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een IVA-uitkering. Naar het oordeel van de Raad is het standpunt van Heijltjes, dat in de situatie van appellant per 10 juli 2008 sprake is van een stabiel ziektebeeld met goede behandelmogelijkheden, deugdelijk gemotiveerd. Daarbij heeft Heijltjes de voorhanden zijnde medische informatie betrokken. Voorts ziet ook de Raad in de beschikbare rapporten van Top-Care een onderbouwing voor de juistheid van de inschatting van Heijltjes van de herstelkansen van appellant, in de zin van de te verwachten verbetering van diens arbeidsbeperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6800 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 november 2009, 09/92 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als filiaalchef bij [werkgever]. Op 13 juli 2006 heeft hij zich ziek gemeld vanwege een doorgemaakte TIA, met hartritmestoornissen en astma. In het kader van de re-integratie heeft appellant een interventietraject gevolgd bij Top-Care.

1.2. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat per 10 juli 2008 geen recht op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, daar hij op grond van de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes op 17 september 2008 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. Met de door een verzekeringsarts gegeven beperkingen in de FML mag appellant in staat worden geacht arbeid te verrichten, aldus Heijltjes, maar een volledige dagtaak lijkt vooralsnog, ook in fysiek lichte activiteiten, te veel. Heijltjes stelde een urenbeperking vast van gemiddeld ongeveer 6 uur per dag en ongeveer 30 uur per week werken. De bezwaararbeidsdeskundige gaf vervolgens in een rapport van 1 oktober 2008 in verband met de aangescherpte FML aan dat de eerder geduide functies dienden te vervallen en dat het niet mogelijk was voldoende geschikte functies aan te wijzen, hetgeen tot de conclusies leidde dat appellant met ingang van 10 juli 2008 80 tot 100% arbeidsongeschikt was.

1.4. Vervolgens heeft Heijltjes in nadere rapporten van 8 oktober 2008 en 25 november 2008, in het kader van de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, aangegeven dat bij appellant sprake is van een stabiel ziektebeeld met goede behandelmogelijkheden. Het verrichten van arbeid conform de restcapaciteit zal op den duur de conditie verbeteren en daarmee de belastbaarheid kunnen doen toenemen. De verbetering van de belastbaarheid door middel van een regulier medisch revalidatieprogramma is zeker niet uit te sluiten.

1.5. Bij besluit van 9 december 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant per 10 juli 2008 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is een zorgvuldig medisch onderzoek verricht naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De rechtbank kan niet meegaan in het standpunt van appellant dat zijn klachten niet juist zijn verwoord in de (aangepaste) FML. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat er bij appellant voldoende kans op herstel van de arbeidsmogelijkheden aanwezig is. De rechtbank heeft overwogen dat uit de bevindingen van Top-Care, welke mede ten grondslag zijn gelegd aan het standpunt van het Uwv, eenduidig blijkt dat appellants klachten door het interventietraject duidelijk zijn afgenomen en appellant heeft aangegeven zo goed als volledig in staat te zijn tot het verrichten van arbeid, mits er aan een aantal voorwaarden kan worden voldaan. De rechtbank is van oordeel dat appellant zijn standpunt, dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering), niet met andersluidende (medische) stukken onderbouwd.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de vaststelling van de FML niet juist is. Daarbij heeft hij met name aangevoerd dat hij meer uren beperkt is dan in de FML is opgenomen. Voorts meent hij dat hij per 10 juli 2008 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij vanaf die datum recht heeft op een IVA-uitkering op grond van artikel 47 van de Wet WIA.

3.2. Het Uwv handhaaft het ingenomen standpunt dat appellant weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat bij hem gelet op zijn herstelkansen, per 10 juli 2008 geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met betrekking tot de vaststelling van de medische beperkingen van appellant in de FML van 17 september 2008 heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant verdergaand beperkt is dan met de FML is vastgelegd. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML per 10 juli 2008.

4.2. Met betrekking tot het recht op IVA-uitkering overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2.2. De Raad volgt bezwaarverzekeringsarts Heijltjes standpunt ten aanzien van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellant, zoals verwoord in diens rapporten van 8 oktober 2008 en 25 november 2008. Naar het oordeel van de Raad is het standpunt van Heijltjes, dat in de situatie van appellant per 10 juli 2008 sprake is van een stabiel ziektebeeld met goede behandelmogelijkheden, deugdelijk gemotiveerd. Daarbij heeft Heijltjes de voorhanden zijnde medische informatie betrokken. Voorts ziet ook de Raad in de beschikbare rapporten van Top-Care een onderbouwing voor de juistheid van de inschatting van Heijltjes van de herstelkansen van appellant, in de zin van de te verwachten verbetering van diens arbeidsbeperkingen

4.2.3. Bij faxbericht van 25 november 2010 heeft appellant een aantal stukken van medische aard in het geding gebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat bij hem per 10 juli 2008 sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In zijn - met instemming van appellant ter zitting overgelegde - rapport van 30 november 2010 heeft Heijltjes geconcludeerd dat uit deze gegevens geen argumenten naar voren komen om de beoordeling van de duurzaamheid per 10 juli 2008 als onjuist te zien. Daarbij heeft Heijltjes erop gewezen dat de gegevens van de huisarts en de cardioloog, voor zover daarop betrekking hebbend, reeds bekend waren. De Raad onderschrijft deze conclusies van Heijltjes. Voorts wijst de Raad erop dat de overige stukken ofwel algemene, niet op de situatie van appellant toegespitste informatie bevatten dan wel betrekking hebben op de situatie van appellant in 2009, zodat aan deze gegevens niet het belang kan worden gehecht dat appellant daaraan toegekend wenst te zien. Daarbij tekent de Raad aan dat het in gevallen als de onderhavige gaat om de inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde per einde wachttijd en dat alleen die medische informatie bij de beoordeling van de juistheid van de inschatting wordt betrokken, die betrekking heeft op de datum in geding.

4.2.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant ingevolge artikel 4 van de Wet WIA geen recht op IVA-uitkering is ontstaan.

4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.2.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

NK