Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
10-131 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/131 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2009, 09/4773 + 09/4774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 december 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is afkomstig van Curaçao. Op 28 juli 2009 is hij vanuit Curaçao naar Nederland gekomen. Op 18 augustus 2009 heeft appellant als alleenstaande een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft appellant onder meer aangegeven dat hij een kamer huurt op het adres [adres 1] te [woonplaats] en dat hij daarvoor een bedrag van

€ 175,-- per maand aan huur moet betalen aan de hoofdbewoonster, [naam hoofdbewoonster] (hierna: [hoofdbewoonster]).

1.2. Op 19 augustus 2009 heeft een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden op het door appellant opgegeven adres. Appellant was aanwezig, de hoofdbewoonster [hoofdbewoonster] was er niet. De bevindingen van dat huisbezoek zijn vervat in het rapport van bevindingen van 19 augustus 2009. Appellant heeft tijdens dat huisbezoek een verklaring afgelegd. Het resultaat van het onderzoek heeft geleid tot de conclusie van het College dat appellant met [hoofdbewoonster] een gezamenlijke huishouding voert in de zin van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen.

1.4. Bij besluit van 18 september 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt van het College dat appellant ten tijde hier van belang geen zelfstandig subject van bijstand was nu hij een gezamenlijke huishouding voert met [hoofdbewoonster]. Derhalve komt appellant volgens het College niet in aanmerking voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de door hem opgegeven woning op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in de zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het onder 1.2 genoemde onderzoek, waarvan met name de door appellant ten overstaan van twee handhavingsspecialisten afgelegde verklaring, een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat er ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg. Volgens de verklaring van appellant doet hij samen met [hoofdbewoonster] de huishouding en de boodschappen, terwijl zij samen eten en koken. [hoofdbewoonster] heeft appellant op 28 juli 2009 van Schiphol afgehaald. Appellant, die niet over inkomsten beschikte, kreeg van [hoofdbewoonster] af en toe geld om zijn prepaid kaart op te waarderen en om het openbaar vervoer te kunnen bekostigen. Zij hebben samen ook een congres van de kerk bezocht. Als [hoofdbewoonster] ziek was verzorgde appellant haar en andersom, aldus de verklaring van appellant, die appellant heeft ondertekend.

4.3. Met betrekking tot de door appellant gestelde taalproblemen heeft [hoofdbewoonster] blijkens het verslag van de hoorzitting van 17 september 2009 aangegeven dat appellant de Nederlandse taal matig beheerst. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat appellant niet in staat zou zijn eenvoudige vragen in het Nederlands te beantwoorden. In het kader van het huisbezoek is van taalproblemen geen melding gemaakt. Mede gelet op de afkomst van appellant acht de Raad ook niet aannemelijk dat er van onoverkomelijke taalproblemen sprake was. De Raad wijst er voorts op dat [hoofdbewoonster] tijdens genoemde hoorzitting heeft bevestigd dat het huishouden gezamenlijk werd gedaan, dat zij appellant geld heeft gegeven voor het opwaarderen van zijn prepaid kaart en voor het gebruik maken van het openbaar vervoer en dat zij samen naar een congres van de kerk zijn geweest. Naar het oordeel van de Raad is ook overigens niet gebleken dat de verklaring van appellant van 19 augustus 2009 niet een juist beeld zou schetsen van de toenmalige woon- en leefsituatie van appellant.

4.4. Nu uit het vorenstaande volgt dat appellant ten tijde hier van belang met [hoofdbewoonster] een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WWB kon hij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hieruit volgt dat het College de afwijzing van de aanvraag van appellant naar het oordeel van de Raad terecht heeft gehandhaafd.

4.5. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NK